Het beendergestel van het Schipperke
Dr. R. Pollet
Lid van de Belgische Standaardcommissie
Het beendergestel of het skelet is per definitie het geheel van de beenderen (de botten) van het lichaam of een deel van het lichaam. In de rasstandaard van het Schipperke lezen we “Ledematen: fijn van beendergestel”. We moeten hier opmerken dat ook in de allereerste rasstandaard (1) vermeld werd dat de ledematen fijn van beendergestel moesten zijn. Over deze bepaling in de standaard zijn er altijd meningsverschillen geweest, maar zonder dat de discussies hierover echt hoog opliepen. Er zijn altijd verdedigers van deze bepaling geweest, zoals G. Arin (2). Anderen daarentegen, zoals F. E. Verbanck (3), vroegen zich af of deze omschrijving wel nodig en te rechtvaardigen was, anders uitgedrukt of deze bepaling wel met de werkelijkheid en de overige vereisten van de standaard overeenstemde.
Wanneer de nieuwe standaard van het Schipperke moest worden opgesteld zijn we zeer voorzichtig geweest vooraleer wijzigingen aan te brengen (9). Deze standaard was immers reeds al te dikwijls ‘aangepast’ geweest, vooral voor wat betreft de gewichtsklassen, maar de essentiële raskenmerken (het algemeen voorkomen, de anatomische bouw en de vacht) nochtans werden in de loop der tijd nooit echt gewijzigd (1). Een volgens ons wél absoluut noodzakelijke wijziging die nog moest gebeuren was het schrappen van de bepaling dat het hoofd vosachtig (vulpoïde) moet zijn (4). Deze bepaling was niet te vinden in de allereerste standaard van 1888 (1) en is pas later (6) in de rasstandaard opgedoken. In de nieuwe standaarden van 2003 en 2009 wordt het hoofd beschreven als lupoïde (wolfachtig) (7).
De bepaling dat de ledematen van het Schipperke fijn van beendergestel moeten zijn staat nu nog altijd in de nieuwe standaard, wat enkel komt door het feit dat we niet al te radicaal de officiële raskenmerken hebben willen wijzigen en dat we een precisering hebben willen respecteren die al gedurende zovele jaren een rasvoorschrift was geweest. Het betreffende raskenmerk was nooit echt betwist geweest, behalve zoals hoger reeds vermeld door F. E. Verbanck (1885-1973) (3), een grote promotor en kenner van Belgische Herders en Schipperkes. We zijn er nu echter meer dan ooit absoluut van overtuigd dat in een volgende gewijzigde standaard de bepaling ‘Ledematen fijn van beendergestel’ ofwel volledig moet weggelaten worden ofwel vervangen door een betere omschrijving zoals ‘beendergestel van de ledematen in harmonie met het lichaam’ (5) of ‘beendergestel van de voorbenen in verhouding tot de rest van het lichaam’ (3).
We moeten nu nog aantonen dat de zinloze bepaling in de rasstandaard dat het beendergestel van de ledematen fijn moet zijn, in de toekomst wel degelijk moet worden geschrapt. De reden hiervoor is dat de vereiste dat de ledematen fijn van bot moeten zijn, eigenlijk in tegenspraak is met de tamelijk robuuste bouw van het Schipperke (8). Het heeft ons altijd heel erg verwonderd dat deze bepaling in de rasstandaard zelfs verkeerd begrepen kan worden, omdat er veel keurmeesters echt maar blijven denken dat het ‘volledige’ skelet van het Schipperke ‘licht’ moet zijn. Het erge is dat wanneer deze keurmeesters dan werkelijk volgens deze verkeerde opvatting (zouden) keuren, dit echt een ramp kan betekenen voor het behoud van het gewenste type van het Schipperke, want een dergelijke zienswijze kan er toe leiden dat de keurmeesters de voorkeur (zouden) geven aan Schipperkes die te elegant zijn en te fijn van bouw, wat helemaal niet gewenst is.
De vereiste dat bij een klein hondje zoals het Schipperke het beendergestel van de ledematen ‘fijn’ zou moeten zijn is op niets gesteund. Het zou daarentegen veel logischer zijn om in de standaarden van de grote rassen te vermelden dat de ledematen ‘sterk van bot’ moeten zijn. De ‘schaalwetten’ (8) leren ons immers dat bij grote, zware dieren de oppervlakte van de dwarsdoorsnede van de beenderen van de ledematen het belangrijkste is. Grote honden mogen eigenlijk geen ledematen hebben die in verhouding zo fijn of dun zijn als bij kleine honden (zie Noot onderaan).
Het argument dat het meest gebruikt wordt om het fijne beendergestel van de ledematen als raskenmerk te verdedigen is dat bij de Schipperkes van het Amerikaanse type de ledematen te krachtig van bot (zouden) zijn, een kenmerk dat de ‘verdedigers’ van het fijne skelet absoluut willen zien verdwijnen. Dit argument lijkt me evenwel nogal zwak, want dit zogezegd te sterk beendergestel is eigenlijk maar schijn of perceptie. Het skelet van de benen van de Amerikaanse Schipperkes geeft inderdaad alleen maar de ‘indruk’ van grover te zijn, omdat hun ledematen iets meer bevederd (met franjes behaard) zijn dan bij de Europese fokproducten. Het bewijs hiervan is dat wanneer een Schipperke van het Amerikaanse type gebaad heeft er niet veel meer van dat zogeheten stevige skelet te zien is. Trouwens, noch in de rasstandaard van het Schipperke van de AKC (‘American Kennel Club’), noch in de standaard van ‘The Kennel Club’ van Groot-Brittannië, is er sprake van een fijn beendergestel. We mogen verder ook het onmiskenbare feit niet loochenen dat bloedverversing met honden van diverse rassen van een door velen verfoeid Amerikaans type er toch voor gezorgd heeft dat meerdere Europese rassen, zoals bijvoorbeeld de Schnauzer (10), sterk zijn kunnen verbeterd worden op anatomisch gebied, maar evenwel niet voor wat betreft de soms erg gewenste harde textuur van de beharing. In ieder geval, wat het Schipperke betreft, heeft Amerikaans bloed er voor gezorgd dat in een behoorlijk aantal afstammingslijnen de rijkere beharing, die zorgt voor het unieke silhouet, opnieuw is kunnen ingebracht worden en dat zelfs het rastype is kunnen verbeterd worden. Van het uitmuntende gangwerk dat we bij Amerikaanse Schipperkes zien kunnen we hier in Europa alleen maar dromen, en dit mooie gangwerk is uiteraard alleen maar mogelijk als een hond anatomisch nagenoeg ideaal gebouwd is.
Uiteindelijk zou tegen de bepaling in de standaard dat het beendergestel van de ledematen fijn moet zijn nog kunnen geargumenteerd worden dat, zoveel jaren na het verschijnen van de eerste rasstandaard (1), het beendergestel van onze Schipperkes nog altijd niet de indruk geeft van ‘fijn’ te zijn. Dit beendergestel ziet er inderdaad nog altijd vrij normaal uit en ‘in harmonie met het lichaam als geheel’. Ofwel dus heeft deze bepaling in de standaard wat het skelet betreft geen enkele invloed gehad op de fokkerij of de schoonheidskeuringen, ofwel hebben de in het verleden eventueel door de fokkers geleverde inspanningen het uiterlijk van het Schipperke niet kunnen veranderen en de structuur of de morfologie (vorm) van het ras niet in een verkeerde richting kunnen laten evolueren, een richting die verkeerd zou geweest zijn, anatomisch niet gerechtvaardigd en zelfs tegennatuurlijk. Het fijne beendergestel van de ledematen is immers een onverantwoord en niet te verdedigen raskenmerk of fokdoel, dat onbereikbaar is of op zijn minst slechts zeer moeilijk te realiseren, misschien wel juist omdat het een tegennatuurlijk kenmerk betreft.
Referenties:
(1)“De allereerste rasstandaard van het Schipperke”, Dr. R. Pollet, Clubblad van de Koninklijke Schipperkesclub van België, derde trimester 2010, p. 44.
(2)« Réflexions sur le Standard du», G. Arin, artikel gepubliceerd door de Schipperkes Club de France.
(3)« Le», F. E. Verbanck, L’Aboi, 1946, p. 208.
(4)“Het hoofd van het Schipperke”, Dr. R. Pollet, www.schipperke.be.
(5)“Verkorte rasstandaard van het Schipperke”, Dr. R. Pollet, www.schipperke.be.
(6)“De Belgische Rassen”, uitgave van de Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus, 1960, Het Schipperke bladz. 27-28.
(7)“Rasstandaard", www.schipperke.be (in het Nederlands, het Frans, het Duits en het Engels) en www.fci.be (in de vier FCI-talen).
(8) “Het Schipperke is geen Belgische Herder (Groenendaeler) in miniatuur” (Toepassing van de schaalwetten), Dr. R. Pollet, Clubblad van de Koninklijke Schipperkesclub van België, vierde trimester 2011; voor de Franse tekst van dit artikel, zie het clubblad Nr. 2/2011 en
(9) “Encyclopedie van de Belgische Hondenrassen”, Dr. Robert Pollet en Prof. Dominique
Grandjean, 190 p., Uitg. Aniwa SAS, 2006.
(10) “The World of Schnauzers”, Johan Gallant, Alpine Publications Loveland, Colorado, 1996, 204 pages.
Noot: (Zie referentie 8).
Wanneer de grootte of de schofthoogte van een hond verdubbelt (met twee wordt vermenigvuldigd), dan volstaat het volgens de schaalwetten niet om de diameter van de dwarsdoorsnede van de ledematen te verdubbelen. Dan vermeerdert het gewicht immers tot de derde macht, anders uitgedrukt het gewicht moet vermenigvuldigd worden met 2³ = 8 wanneer de schofthoogte verdubbelt. Hieruit volgt dat de diameter (de dikte) van de ledematen niet met 2 moet worden vermenigvuldigd, maar met 2,829 (de vierkantswortel van 8). De verklaring is dat de dwarsdoorsnede van de ledematen een lichaamsgewicht moet dragen dat bij een verdubbeling van de schofthoogte tot de derde macht is gestegen en dat de oppervlakte van een dergelijke dwarsdoorsnede immers ongeveer gelijk is aan πR² (de oppervlakte van een cirkel; R is de straal R die gelijk is aan de helft van de diameter van de doorsnede van de ledematen).