Get Adobe Flash player

                              

      Het Schipperke is geen Belgische Herder (Groenendaeler) in miniatuur

 

            Vergelijkende studie van de morfologie van de Belgische Herder en het Schipperke

                                                 door toepassing van de ‘schaalwetten’                                                   

 

                                                                                                     Dr. Robert Pollet

                                                                                       Lid van de Belgische Standaardcommissie

 

Samenvatting

 

Met behulp van de ‘schaalwetten’ hebben we berekend dat een Schipperke met de schofthoogte van een Belgische Herder (Groenendaeler) (gemiddeld gewicht 25 kg en gemiddelde schofthoogte 61 cm) 38,5 kg zou wegen. Anderzijds zou een Groenendaeler met de gemiddelde grootte van een Schipperke (32,4 cm en 5,78 kg) 3,75 kg wegen.

De resultaten van deze berekeningen tonen aan dat deze twee rassen morfologisch (qua lichaamsvorm, structuur en uiterlijk) in hoge mate verschillen. De Belgische Herder is immers ‘middellijnig’ maar zeer elegant van structuur en het Schipperke is morfologisch gezien ook ‘middellijnig’, maar neigend tot kortlijnigheid, anders uitgedrukt met een enigszins robuuste lichaamsbouw.

Dezelfde berekening werd toegepast op de Vlaamse Koehond en toont aan dat dit ras in verhouding iets minder robuust gebouwd is dan het Schipperke.

Een toepassing van de schaalwetten maakt duidelijk dat heel wat standaarden van rassen met meerdere grootte-slagen zouden moeten herwerkt worden.

De betekenis van de morfologische termen langlijnig (longiligne), kortlijnig (bréviligne), middellijnig (médiologne) en cob(by) wordt verklaard.

 

Hondenliefhebbers en (schoonheids)keurmeesters hebben altijd veel interesse gehad voor de morfologie (studie van de uitwendige lichaamsvormen) van de hondenrassen. Polymorfisme (veelvormigheid) is een wezenlijk kenmerk van de hond als soort. De morfologische verschillen op gebied van vorm, grootte, gewicht, enz. tussen de rassen onderling zijn inderdaad enorm. Deze grote variabiliteit is bij andere soorten niet terug te vinden. Om deze werkelijk eindeloze verschillen in rasvormen te kunnen kwantificeren en vergelijken, werden door wetenschappers en kynologen talrijke classificatiesystemen uitgedacht. In deze systemen worden de rassen beschreven en onderverdeeld in meerdere types of categorieën, zonder rekening te houden met de mogelijke tussencategorieën.

Waarschijnlijk is de meest bekende morfologische indeling van de rassen deze van Baron en Dechambre. Volgens deze classificatie, die gebaseerd is op de lichaamsverhoudingen, worden de rassen ingedeeld in drie basistypes (1):

- langlijnig of longilineair: Frans, longiligne; Engels, longilineal, longlined; Duits, langlinig; Spaans,

longilíneo; syn. dolichomorf (langvormig, slank); verfijnd, het hoofd is gestrekt (dolichocefaal), de

ledematen zijn lang (langlijnigen zijn lang- of hoogbenig, met grote bodemafstand of afstand van de

onderborst tot de grond).       

- kortlijnig of brevilineair: Fr. bréviligne; Eng. brevilineal, shortlined; Dts. kurzlinig; Sp. brevilíneo;

syn. brachymorf (kort van vorm, breed); gedrongen, geblokt, compact, robuust; het hoofd is kort  

(brachycefaal); is laagbenig (met korte ledematen).

- middellijnig of mediolineair: Fr. médioligne; Eng. mediolineal; Dts. mittellinig; Sp. mediolíneo; syn.

mesomorf (met gemiddelde verhoudingen); situeert zich tussen langlijnig en kortlijnig; het hoofd is

mesocefaal (van vorm tussen brachycefaal en dolichocefaal); schofthoogte en lichaamslengte zijn

meestal gelijk; de meeste honden, waaronder de herdershonden, zijn middellijnig; dit type stemt

overeen met het lupoïde type (de wolfachtigen), een term volgens de classificatie of typologie van

Georges Cuvier (1800) en Pierre Mégnin (1897). Het Schipperke en de Belgische Herder zijn

lupoïden.

 

Volgens een andere classificatie (van Baron en Dechambre) is een langlijnig dier meestal ‘convex’ (naar buiten toe gerond, gekenmerkt door bolle lijnen), een middellijnig dier is ‘rectilineair’ (rechtlijnig, gekenmerkt door rechte lijnen) en een kortlijnig dier is ‘concaaf’ (een exterieur met holtes, gekenmerkt door holle lijnen), maar dit is een classificatie met veel uitzonderingen. Een morfologisch type is immers nooit morfologisch ‘zuiver’. Een type betekent altijd dat één bepaald kenmerk domineert, wat echter het bestaan van andere ook belangrijke karakteristieken niet uitsluit.

Meestal worden al deze morfologische termen verkeerd begrepen, ook door keurmeesters. Zo was vroeger bijvoorbeeld in de (voorlaatste) rasstandaard van de Briard te lezen ‘De lichaamslengte moet de schofthoogte overtreffen, de Briard is longilineair’. Volgens M. Luquet neigt de Briard zelfs naar het sub-lineaire type, wat als morfologische classificatie ook niet erg voldoet. Ik heb de Standaardcommissie van de FCI kunnen wijzen op deze fundamentele fout (de Briard is namelijk niet langlijnig maar middellijnig) en in de laatste standaard van de Briard van 2009 is de term langlijnig niet meer terug te vinden en is het ras ‘middellijnig’ geworden. Spijtig echter voor de Briard is het kwaad al gebeurd en is overal nog te lezen dat de Briard longilineair is, een uiteraard verkeerd woordgebruik om aan te duiden dat dit ras rechthoekig van bouw is!    

 

Wat nu de drie types langlijnig, kortlijnig en middellijnig betreft, is het niet de verhouding van de lichaamslengte tot de schofthoogte die bepalend is voor deze classificatie. Wél bepalend is eigenlijk de verhouding van de oppervlakte van het lichaam tot zijn volume of gewicht. Bij langlijnige honden is deze verhouding eerder groot en bij kortlijnigen eerder klein. De graad van kortlijnigheid verhoogt wanneer de verhouding oppervlakte / gewicht vermindert voor een zelfde grootte en dus ook wanneer het gewicht stijgt bij een zelfde schofthoogte. Het omgekeerde geldt voor de graad van langlijnigheid. De verhouding oppervlakte / volume is hoog wanneer de vorm van een voorwerp of een organisme sterk verschilt van een bol, dus wanneer een organisme rank of slank is.

 

Veel auteurs zijn van mening dat al deze (verkeerd begrepen) morfologische termen eigenlijk niets betekenen en ons weinig leren en dat het dus beter zou zijn om uitdrukkingen of termen te gebruiken die iedereen begrijpt, zoals ‘slank’ voor langlijnig, ‘gedrongen’ voor kortlijnig en ‘normale verhoudingen’ of iets dergelijks voor middellijnig. In de keurrapporten van Belgische Herders leest men regelmatig beschrijvingen zoals ‘middellijnig hoofd’, waar we helemaal niet wijzer van worden. We moeten ons zelfs afvragen of de Belgische Herder eigenlijk wel een zuiver middellijnige hond is (zie verder). Het zou beter en veel duidelijker zijn om in de keurrapporten te noteren ‘goed / typisch hoofd’, wat moet volstaan om te zeggen dat het hoofd goed gevormd is, beantwoordt aan de rasvoorschriften (de standaard) en dus ‘typisch’ is. Wat het Schipperke betreft komt in de keurverslagen niet altijd tot uiting dat dit ras eigenlijk nog meer kortlijnig (gedrongen of compact) is dan een Vlaamse Koehond (10) (Bouvier des Flandres), dus dat het Schipperke een ras is dat neigt naar het kortlijnige type (5) en misschien zelfs sub-kortlijnig is (zie verder).

 

Regelmatig lezen we in (vooral Franse) keurverslagen van zowel Belgische Herders als Schipperkes de omschrijving ‘mooie middellijnige structuur’. Het besluit zou dus kunnen zijn dat Belgische Herders (2) (8) maar ook Schipperkes typisch middellijnig zijn. Nochtans is enig scepticisme hier op zijn plaats. Zijn deze twee rassen wel ‘puur’ middellijnig? Is de Belgische Herder hiervoor niet wat te elegant en eerder een ras dat ‘neigt’ naar het middellijnige type? En is het uiterlijk van het Schipperke niet wat te robuust om zuiver middellijnig te zijn? Lang geleden reeds hebben we een vergelijkende studie gepubliceerd over de Duitse, Belgische en Hollandse Herders, de Saarlooswolfhond en het Schipperke (4). In die tijd (1987) was het niet voor iedereen zo duidelijk waarom ik ook het kleine Schipperke met zijn grotere broers wilde vergelijken. Ik schreef dat de hoofdreden was dat ten onrechte werd gedacht dat het Schipperke een Groenendaeler (zwarte, langharige Belgische Herder) in het klein is, maar dat de anatomische bouw van deze twee rassen nochtans nogal erg verschillend is, er aan toevoegend dat het Schipperke met geen enkel ander ras vergelijkbaar is. Spijtig genoeg zijn deze bedenkingen nu nog altijd actueel en pertinent (5, 6, 7). Tot vandaag denken inderdaad in heel de wereld nog altijd veel liefhebbers en keurmeesters van Schipperkes dat dit ras een Groenendaeler in het klein is, dus morfologisch (wat de bouw betreft) een Belgische Herder in klein formaat (6).

 

Alhoewel Schipperkes en Belgische Herders een gemeenschappelijke voorvader hebben, met name een oud ras dat ‘Leuvenaar’ genoemd wordt, zijn de verschillen tussen deze twee rassen, alle verhoudingen in acht genomen, toch belangrijk (3). Kort geschetst komt het er op neer dat het Schipperke robuuster of steviger gebouwd is dan een Belgische Herder, wat zowel betrekking heeft op het lichaam (de romp), dus de borstomvang en de borstbreedte, als op het hoofd (schedelbreedte en snuitlengte) (3) (9). Zowel de Belgische Herder als het Schipperke zijn vierkant van bouw (de schofthoogte en de lichaamslengte zijn gelijk), wat niet alleen een morfologische vergelijking vergemakkelijkt, maar ook meer rechtvaardigt.

 

We kunnen nu proberen om aan te tonen dat de Belgische Herder en het Schipperke duidelijk verschillend van bouw zijn, wat vooral komt enerzijds door de elegantie van de Belgische Herder, wat een voor dit ras een belangrijk raskenmerk is (8), en anderzijds omdat bij het Schipperke, alhoewel in een kleiner formaat, zijn robuuste en stevige bouw essentieel is (5, 6, 7). Bij het Schipperke is inderdaad zijn lichaam tamelijk breed en gedrongen en wat het hoofd betreft is de schedel (het voorhoofd) tamelijk breed en de snuit is korter dan de schedel (9).

 

Om nu concreet te bewijzen dat het Schipperke werkelijk robuuster en meer gedrongen of compacter is dan de elegante Belgische Herder, zullen we dit morfologisch verschil kwantificeren, dus de grootte van dit verschil in bouw duidelijk maken, door toepassen van de ‘schaalwetten’. Hiervoor hebben we enkel de gemiddelde schofthoogtes en gewichten van onze twee rassen nodig. De schaalwetten hebben veel toepassingen en zijn vrij eenvoudig. Eigenlijk zijn het de ‘wetten van de kwadraten (tweede machten) en de derde machten’. De schaalwetten leren ons immers dat wanneer we een lengtedimensie van een lichaam (L) variëren, de oppervlakte van het totale lichaamsoppervlak zal veranderen in het kwadraat (L²) en het volume of het gewicht tot de derde macht (L³). Deze wetten kunnen ook op dieren toegepast worden, indien hun vorm (morfologie) of hun verhoudingen dezelfde zijn en enkel hun ‘schaal’ (bijv. variaties in grootte of schofthoogtes)) verschilt. Het spreekt vanzelf dat al de hondenlichamen eenzelfde densiteit (dichtheid) hebben en dat dus in de berekeningen volumes en gewichten onderling verwisselbaar zijn.

 

De schaalwet leert ons dat wanneer de grootte van een individu toeneemt, bijv. wanneer men de schofthoogte van een hond verdubbelt (x 2), dat zijn lichaamsoppervlakte vermenigvuldigd moet worden met 2² = 4. De oppervlakte vermeerdert dus tweemaal meer dan de lineaire dimensie.Wat het volume (of het gewicht) van deze hond betreft, waarbij we veronderstellen dat alle honden dezelfde densiteit hebben, moet er vermenigvuldigd worden met 2³ = 8. Het volume of het gewicht zullen dus tweemaal sneller toenemen dan de oppervlakte. Wanneer dus een lengtedimensie zoals de schofthoogte van een hond verhoogt, is er een belangrijke toename van de lichaamsoppervlakte, maar het volume en het gewicht nemen nog meer toe. Wanneer we de schofthoogte van een hond halveren, wordt zijn lichaamsoppervlakte gedeeld door vier (2²) en zijn volume of gewicht door acht (2³). Als men dus de grootte van een hond verlaagt, dan vermindert zijn oppervlakte, maar zijn volume of gewicht verminderen nog vlugger. Indien bijv. een man van 2 m lang 120 kg weegt, dan zouden personen met dezelfde lichaamsbouw die 1,8 m (90%), 1,5 m (75%), 1,25 m (62,5%) en 1 m (50%) groot zijn, respectievelijk 87,5 kg (72,9%), 50,66 kg (42,2%), 29,29 kg (24,4%) en 15 kg (12,5%) wegen. Tussen haakjes staan in procenten de verminderde groottes en gewichten vermeld. Deze procenten maken duidelijk hoeveel sneller gewichten verminderen t.o.v. lineaire dimensies (groottes).    

 

Laten we nu de gemiddelden nemen van de schofthoogtes en de gewichten van de Belgische Herders (BH) en de Schipperkes (Sch). In de rasstandaarden van het Schipperke worden de schofthoogtes niet vermeld, maar voor onze berekeningen nemen we de resultaten van metingen en wegingen die we hebben uitgevoerd tijdens een rasspeciale (5). Deze resultaten hebben we trouwens ook gebruikt om de nieuwe rasstandaard van het Schipperke te schrijven.

Gemiddelden van de schofthoogtes: BH 61 cm; Sch 32,43 cm.

 

Gewichtsgemiddelden: BH 25 kg; 5,78 kg.

1. Eerst berekenen we hoeveel een Schipperke zou wegen dat zo groot is als een Belgische Herder.

   We nemen de verhouding van de twee schofthoogtes: 61 : 32,43 = 1,881

   Het gewicht van het Schipperke zou dus zijn:

   1,881 x 1,881 x 1,881 = 6,655 → 6,655 x 5,78 = 38,5 kg.

   Dit kan ook nog als volgt berekend worden: 5,78 : ((32,43/61)³ = 38,5 kg.

2. Anderzijds zou een Belgische Herder met de schofthoogte van een Schipperke volgend gewicht    hebben: 25 : 6,655 = 3,75 kg. Anders berekend: 25 x (32,43/61)³ = 3,75 kg.

De verhouding tussen het gewicht van een Schipperke dat zo groot is als een Belgische Herder en het gemiddelde gewicht van een Belgische Herder leert ons dat het Schipperke veel kortlijniger (robuuster) is dan een Belgische Herder, want 38,5 : 25 = 1,54. Omgekeerd bewijst de verhouding tussen het gewicht van een Belgische Herder met de schofthoogte van een Schipperke en het gemiddelde gewicht van een Schipperke dat een Belgische Herder veel minder kortlijnig en dus veel eleganter is dan een Schipperke, want 3,75 : 5,78 = 0,65.

Wat nu de Vlaamse Koehond betreft konden we in de voorlaatste rasstandaard van dit ras lezen dat het ‘Algemeen Voorkomen’ kortlijnig (bréviligne) (10) is. Heel waarschijnlijk had men dat geschreven omdat hij vierkant van bouw is. Gelukkig hebben we deze vergissing kunnen verbeteren. Nu is in de laatste standaard van de Vlaamse Koehond het Algemeen Voorkomen subkortlijnig geworden.

 

We hebben, om het Schipperke met de Vlaamse Koehond te vergelijken, dezelfde schaalberekeningen uitgevoerd als hoger. Dit gaf volgende resultaten:

- Gemiddeld gewicht van de Koehond: (37,5 + 31) : 2 = 34,25

- Gemiddelde schofthoogte van de Koehond: 63,5 cm.

Verhouding van de gemiddelde schofthoogtes Koehond/Schipperke: 63,5 : 32,43 = 1,958

1. Een Schipperke met de schofthoogte van een Koehond zou dus wegen:    (1,958 x 1,958 x 1,958) x 5,78 = 43,39 kg.

   Dit resultaat toont aan dat het Schipperke nog iets kortlijniger is (26%) dan een Vlaamse Koehond,    want 43,39 : 34,25 = 1,267. Een Schipperke met de grootte van een Vl. Koehond weegt dus 26-27%    meer dan de Koehond.

 

2. Een Vlaamse Koehond met de schofthoogte van een Schipperke zou dus wegen:    34,25 : (1,958 x 1,958 x 1,9658) = 4,56 kg. Anders berekend: 34,25 x (32,43/63,5)³ = 4,56 kg.    Aangezien het gemiddelde gewicht van een Schipperke 5,78 kg is, bewijst ook de verhouding    5,78 : 4,56 = 1,267 dat het Schipperke 26-27% kortlijniger is dan een Bouvier.

Het is misschien wel een nogal verrassend resultaat dat het Schipperke zelfs kortlijniger is dan een Vl. Koehond, maar deze laatste is uiteraard kortlijniger dan een Belgische Herder. Een kleine berekening leert ons immers dat een Vl. Koehond met de grootte van een Belgische herder een gewicht zou hebben van 34,25 : (63,5/61)³ = 30,36 kg, dus heel wat meer dan de 25 kg van de Belgische Herder. De verschillen in gewicht tussen een Vl. Koehond of een Schipperke met de grootte van een Belgische Herder en het gewicht van een Belgische Herder met het voorgeschreven gemiddeld gewicht van 25 kg zouden zijn 30,36 - 25 kg voor de Vl. Koehond en 38,47 - 25 kg voor het Schipperke. Deze verschillen kunnen beschouwd worden als een maat voor de graad van (de neiging tot) kortlijnigheid van resp. een Vl. Koehond en van een Schipperke.

 

Dezelfde berekeningen kunnen uitgevoerd worden voor andere rassen zoals de drie Duitse Schnauzerrassen, met name de Schnauzer, de Riesenschnauzer en de Dwergschnauzer, die worden beschreven in drie fundamenteel dezelfde standaarden, waarin wel de schofthoogtes en de gewichten verschillen. Deze drie standaarden bepalen dat de Riesenschnauzer en de Dwergschnauzer resp. een vergroot en een verkleind evenbeeld moeten zijn van de Schnauzer, wat eigenlijk in werkelijkheid niet zo is en als na te streven lichaamsbouw ook niet haalbaar. De Duitse Spits (Duitse Keeshond) en de Poedel zijn ook rassen die uit meerdere variëteiten (grootte-slagen) bestaan, maar enkel de schofthoogtes en niet de gewichten worden in deze twee standaarden vermeld. We denken niet dat de lichaamsbouw die beschreven wordt of vermeld staat in deze twee standaarden in overeenstemming is met de schaalwetten. Het mag niet volstaan om in de rasstandaarden enkel te vermelden dat de gewichten van de grootte-variëteiten moeten overeenstemmen met hun schofthoogtes. Men kan zich zelfs afvragen of het wel normaal of realistisch is om in de standaarden van de Schnauzers, de Duitse Keeshonden of de Poedels voor te schrijven dat al de grootte-variëteiten dezelfde lichaamsverhoudingen moeten hebben. Men weet immers dat bij andere soorten (zoals paarden) met verschillen in formaat (grootte en gewicht), de lichaamsverhoudingen erg verschillen. In het algemeen hebben kleine dieren of miniatuur-exemplaren (dwerg-) ten opzichte van hun grotere broers een breder lichaam, een krachtiger beendergestel en een korter hoofd met een breder voorhoofd. Daarom is het bijvoorbeeld spijtig dat in de twee afzonderlijke standaarden van de (Langharige) Collie en van de Sheltie de gewichten niet worden vermeld. Het is dus niet mogelijk om met behulp van de schaalwetten aan te tonen dat de Sheltie geen Collie in miniatuur is, wat velen hierover ook mogen denken.

 

Gelukkig echter hebben we wat onze Belgische rassen betreft kunnen bewijzen, steunend op resultaten van metingen en wegingen (5) en met behulp van de ‘schaalwetten’, dat het Schipperke helemaal geen Belgische Herder is in klein formaat. Deze twee rassen hebben weliswaar een gemeenschappelijke voorouder, met name de ‘Leuvenaar’ (3) (7), maar het Schipperke is een herdershondje geworden dat in verhouding robuuster en steviger gebouwd is dan een Belgische Herder, wat zowel geldt voor het lichaam (romp) als voor het hoofd van het Schipperke.  

  

Ten slotte willen we hier nog wat uitleg geven over het gebruik van de morfologische term cob(by) (2). Het is een term afkomstig uit de Engelse ‘paardentaal’, bedoeld voor een stevig gebouwd paard met ronde vormen. ‘Cob’ betekent eigenlijk ‘een ronde massa’ of ook nog ‘een gespierd en gedrongen paard, met korte ledematen en stevig beendergestel’. Alhoewel nog niet zo lang geleden bepaalde keurmeesters regelmatig een hond ‘mooi cob’ vonden, komt deze term nu nog maar weinig voor in keurverslagen. In de middens van de Belgische Herder en ook van het Schipperke werd vroeger deze term al te dikwijls verkeerdelijk gebruikt wanneer men wilde zeggen dat een hond mooi vierkant is. Toch is het maar al te duidelijk dat noch het Schipperke, noch de elegante Belgische Herder beschreven moeten worden als cob. Het gebruik van deze term in de betekenis van ‘vierkant gebouwd’ of om een hond te beschrijven die compact en gedrongen of kortlijnig is, moet absoluut vermeden worden. De term is immers verwarrend, want ‘cob’ en ‘vierkant gebouwd’ zijn twee totaal verschillende zaken. Dat een hond vierkant gebouwd is betekent helemaal niet dat hij ook cob is. Er bestaan voldoende andere termen die door keurmeesters kunnen gebruikt worden in de plaats van ‘cob’, zoals in het Engels ‘compact’, short-bodied’, ‘thick-set’, ‘stocky’ en ‘blocky’, en in het Nederlands ‘compact’, ‘gedrongen’, ‘geblokt’, ‘massief’, ‘stevig’, enz., en eventueel ‘plomp’ of ‘log’.    

 

Referenties:

 

(1)"Kynologische Lexicon" (Exterieur en Beweging), Dr. R. Pollet, Uitg. CirCum Publishing, 2002, 166 p.

(2)"Blueprint of the Belgian Shepherd Dog" (bestaat ook in het Nederlands, "Blauwdruk van de Belgische Herdershond", gepubliceerd in het clubblad van de Nederlandse Vereniging voor Belgische Herdershonden), Dr. R. Pollet, Ed. Belgian Shepherd Dog Association of Great Britain, 31 p.

(3)"Encyclopedie van de Belgische Hondenrassen", Dr. Robert Pollet en Prof. Dominique Grandjean, 190 pages, Uitg. Aniwa SAS, 2006.

(4)"Vergelijkende studie van de Duitse, Belgische en Hollandse Herder, de Saarlooswolfhond en het Schipperke", door R. Pollet, dr. sc., WOEF Nr. 280-283, Mei 1987.

(5)"Maten, gewicht en grootte van het Schipperke", Dr. R. Pollet, www.schipperke.be.  

(6)"Verkorte rasstandaard van het Schipperke", Dr. R. Pollet, www.schipperke.be.

(7)"Schipperke" (in English), Dr. R. Pollet, Interpet Publishing, 2001, and Kennel Club Books 2005, 160 p.

(8)"Belgian Shepherd Dog" (in English), Dr. R. Pollet, Interpet Publishing, 2000, 160 p. Même livre en franç: « Le Chien de Berger Belge », Dr. R. Pollet, Éditions Animalia, (adapté par Dr. Philippe de Wailly), 160 pages, 2004.

(9)"Het hoofd van het Schipperke", Dr. R. Pollet, www.schipperke.be.

(10) "Bouvier des Flandres" (in English; bestaat ook in het Spaans), Dr. R. Pollet, 160 p., Interpet Publishing (2001) and Kennel Club Books (2005).

 

 

Noot:

De lezer moet er begrip voor hebben dat wat in dit artikel gezegd wordt over de morfologische term ‘middellijnig’ (‘médioligne’) en gelijkaardige termen, vooral bedoeld is voor Franstalige hondenliefhebbers en keurmeesters, die deze term nogal dikwijls verkeerd gebruiken. Nederlandstaligen en anderstaligen maken veel minder gebruik van de betreffende terminologie. Door niet-Franstaligen wordt deze terminologie nauwelijks of helemaal niet begrepen. Niet te vergeten ook dat veel van de voor Nederlandstaligen ‘geleerde termen’ in het Frans eigenlijk doodgewone en gangbare termen zijn.