Get Adobe Flash player

                     Interpretatie van de Rasstandaard van het Schipperke

 

                          Enkele verduidelijkingen *

 

                                                                                               Dr. Robert Pollet

                                                                                     Lid van de Belgische Standaardcommissie

 

 

 

Opmerkingen vooraf

 

De basistekst van de nieuwe standaard van het Schipperke (1) werd in het Nederlands opgesteld. Deze tekst hebben we dan vertaald naar het Frans, het Engels, het Duits en het Spaans. De referentie- of rechtsgeldige tekst die naar de FCI werd opgestuurd was de Franse tekst van de rasstandaard en niet de Engelse tekst.

Prof. Triquet die destijds de Franse voorzitter was van de Standaardcommissie van de FCI heeft de betreffende tekst grondig nagelezen en geanalyseerd en heeft bevestigd dat deze tekst mocht beschouwd worden als een van de beste rasstandaarden wat betreft de correcte kynologische terminologie, de verstaanbaarheid, de duidelijkheid en de volledige gelijkvormigheid aan de Modelstandaard van de FCI. We hebben nochtans moeten ervaren dat een dergelijke waardering toch niet altijd volstaat voor een juiste interpretatie van de tekst.

Ten slotte moet opgemerkt worden dat een standaard niet alleen wordt geschreven voor wie het ras reeds kent, maar ook en misschien vooral voor nieuwe geïnteresseerden (mogelijke liefhebbers van het ras, kandidaat-keurmeesters, enz.) van wie wel wordt verondersteld dat ze min of meer vertrouwd zijn met de taal en/of de vakterminologie die gebruikelijk is bij het opstellen van rasstandaarden.

 

Verduidelijkingen over de rasstandaard van het Schipperke

 

De enkele verduidelijkingen of preciseringen om te vermijden dat de tekst van de Standaard van het Schipperke verkeerd wordt begrepen, kunnen als volgt worden samengevat:   ‘duidelijk’ (Fr. ‘nettement’) wil niet zeggen ‘aanmerkelijk’, ‘aanzienlijk’, ‘heel wat’ of ‘in belangrijke mate’, maar wel ‘waarneembaar’, ‘op het zicht te onderscheiden’, ‘merkbaar’ of ‘zichtbaar’.
Dit betekent dat wanneer in de standaard de snuit beschreven wordt als ‘betrekkelijk kort’, dit helemaal niet in tegenspraak is met de omschrijving ‘duidelijk korter dan de lengte van de schedel’.
De standaard preciseert woordelijk ‘de snuit is duidelijk minder lang dan de helft van de hoofdlengte’. Laten we ook benadrukken dat ‘betrekkelijk’ (Fr. ‘relativement’) betekent ‘verhoudingsgewijs’, ‘naar verhouding’, ‘in verhouding tot’, ‘ten opzichte van’ of ‘proportioneel’. Blijkbaar dus is de bewering dat er moet gekozen worden tussen een snuit die ‘duidelijk minder lang is dan de helft van de hoofdlengte’ en een ‘betrekkelijk korte snuit’ een vitterij, wat betekent een kleingeestige en onbelangrijke opmerking.
Men moet zich inderdaad afvragen ‘waar is de tegenstrijdigheid of het gebrek aan logica’ ?
Uitdrukkingen zoals ‘middellijnige verhoudingen’ of dat het hoofd ‘lupoïde van vorm’ is betekenen helemaal niet dat de snuitlengte gelijk is aan de helft van de hoofdlengte. ‘Middellijnig’ heeft immers een totaal andere betekenis (2). Wat meer is, de standaard bepaalt uitdrukkelijk dat de snuitlengte gelijk is aan ongeveer 40 % van de totale hoofdlengte (1, 3).
Het spreekt vanzelf dat het menselijk oog, en zeker het oog van een keurmeester, in staat moet zijn om een onderlinge verhouding van 40-60 % (snuit-schedel) duidelijk op te merken.
Door G. Arin werd trouwens reeds bevestigd dat volgens zijn metingen van de beste Franse Schipperkes de snuitlengte altijd ‘duidelijk’ minder was dan de lengte van het voorhoofd (4). In ieder geval mag een hoofd van een Schipperke met een lange en een geknepen snuit zonder meer ‘atypisch’ genoemd worden.      

-        De term ‘lupoïde’ maakt ons niet veel wijzer. Deze term is uiterst vaag, want al te veel hondenrassen behoren tot het lupoïde type. Deze term hebben we in de nieuwe standaard gebruikt omdat het hoofd van het Schipperke helemaal niet lijkt op dat van een vos, zoals altijd beschreven in de vorige standaarden (5). De wat ongelukkige precisering ‘hoofd lijkend op dat van een vos’ (= vulpoïde) moest dus in ieder geval in de standaard geschrapt worden en daarom werd om het hoofd te karakteriseren de term ‘lupoïde’ ingevoerd. Deze term kan niet als foutief beschouwd worden en heeft door zijn onduidelijkheid als voordeel van niet al te veel discussies uit te lokken. De term ‘lupoïde’ in de standaard dient ook om te onderstrepen dat het Schipperke op gebied van lichaamsbouw tot het type van honden behoort dat het uiterlijk van de wolf vertoont en niet tot het type van de braccoïden, de molossoïden of de graioïden.

-        De fijnheid van het beendergestel mag helemaal niet beschouwd worden als een essentiële bepaling in de standaard. Dit ‘fijn beendergestel’ heeft immers enkel betrekking op de ledematen en is eigenlijk een niet-gefundeerde vereiste (6).
In een volgende gewijzigde tekst van de standaard (7) moet deze bepaling ofwel geschrapt worden ofwel vervangen door ‘beendergestel van de ledematen in verhouding tot de rest van het lichaam’ (7, 8).

-        Een ‘diepe borst, tot ellebooghoogte reikend’ wil niet zeggen (3) dat de borstdiepte gelijk is aan de helft van de schofthoogte. De borst bij het Schipperke is natuurlijk wel goed diep, maar concreet betekent het dat de borstdiepte 47-48 % bedraagt van de schofthoogte, ofwel dat de ‘bodemafstand’ (afstand van de onderborst tot de grond) 52-53 % bedraagt van de schofthoogte (3).

-        Volgens de standaard is de stop ‘duidelijk’, met de toevoeging ‘maar zonder overdrijving’. De standaard preciseert ook ‘de overgang van het schedelgedeelte naar het snuitgedeelte is duidelijk’, met de toevoeging ‘maar mag toch niet te sterk geaccentueerd zijn’. Wat men er ook mag over denken, dit zijn zeer begrijpelijke en genuanceerde omschrijvingen.

-        De standaard preciseert dat ‘het voorhoofd van opzij gezien licht afgerond’ is, wat uiteraard wil zeggen dat dit een ideaal is. We weten allemaal dat dit ideaal vooral bereikt wordt bij de grotere Schipperkes. Een vlak voorhoofd wordt in de standaard ook niet als fout vermeld. Georges Arin schrijft bijvoorbeeld dat hij nog nooit Schipperkes heeft ontmoet met een vlak voorhoofd (4).

-        In de standaard lezen we ook dat de bovenlijnen van de schedel en de snuit evenwijdig verlopen, maar beweren dat dit ‘mathematisch onmogelijk’ is gaat te ver. Dit parallellisme (er is geen ‘convergentie’ of ‘divergentie’) is immers wel degelijk te zien, maar men moet natuurlijk weten dat het de ‘denkbeeldige’ assen of lijnen zijn die bekeken moeten worden.

-        Wanneer in een standaard te lezen staat dat het lichaam inschrijfbaar is in een vierkant, dan geldt dit strikt genomen voor de twee geslachten, maar het houdt niet in dat men wat dit betreft toleranter mag zijn voor de teven. Een teef die gebouwd is om te fokken (die een gestrekt lichaam ‘zou’ hebben) kan immers pups van de twee geslachten (reuen én teven) voortbrengen die een (te) lang lichaam hebben.

-        In de standaard lezen we helemaal niet dat het (alleen) de manen zijn die zorgen voor een sterk afgetekende schoft. Wat er wel staat is dat de anatomisch goed uitkomende schoft nog meer geaccentueerd wordt door de haren op de schoft.

-        Een ‘normale schouderhoeking’ betekent niet dat de betreffende hoek 90° (9, 10) bedraagt.

Een schouderhoeking van 90° is een zeer sterke hoeking. Volgens veel specialisten zou een door het schouderblad en het opperarmbeen gevormde hoek van 90° zelfs niet bestaan, behalve bij de Teckel. Men zou in ieder geval wél kunnen zeggen dat deze hoeking bij het Schipperke minder uitgesproken is dan bij Duitse herders en iets meer uitgesproken dan bij Belgische herders. De bepaling dat de schouderhoeking ‘normaal’ is houdt niet in dat dit aan een concrete of welbepaalde hoek beantwoordt, maar een schouderhoeking van ongeveer 115° lijkt redelijk en verdedigbaar.

-        De beschrijving van de beharing van het Schipperke mag in geen geval doen denken aan de vacht van de ‘langharige’ Collie. Bij de Collie immers wordt de vacht (manen, borstveer, staart, enz.) beschreven als ‘zeer overvloedig’, en van de ledematen wordt gepreciseerd dat ze goed bevederd zijn (goed voorzien van franjes). De standaard van het Schipperke bepaalt dat de lange haren rond de hals (de kraag) ‘aan beide zijden uitsteken’, wat eigenlijk een raskenmerk is.    

-        Wat nu de fouten betreft die in een rasstandaard moeten opgesomd worden, vraagt de FCI altijd om deze lijst korter te maken. Hierover zijn de richtlijnen van de FCI als volgt:
•   Er moet vermeld worden dat elke afwijking van wat voorafgaat beschouwd wordt als een fout, die bestraft wordt naargelang de ernst ervan.
•   Enkel de veel voorkomende fouten vermelden.
•   Enkel de fouten vermelden die speciale aandacht verdienen.

 

       Kynologische terminologie (9): (Fr. = Frans)

 

1.De ‘snuit’ (voorsnuit of vang; Fr. museau) is het voorste gedeelte van het hoofd, gelegen vóór de ogen (bestaat uit de neus, de neusrug en de bek).

2.De neusrug (Fr. chanfrein) is het bovenste gedeelte van de snuit, van neusspiegel tot stop.

3.‘Middellijnig’ (Fr. médioligne) betekent helemaal niet dat de snuit en de schedel (voorhoofd) even lang zijn. Uitdrukkingen zoals ‘verhoudingen van het hoofd middellijnig’ of ‘middellijnige verhoudingen van 50 % ’ hebben geen zin (2). Het Schipperke is middellijnig, maar met een neiging tot kortlijnigheid, anders uitgedrukt ‘enigszins robuust van bouw’ (2, 3). Het Schipperke is een herdershondje, maar, alle verhoudingen in acht genomen, robuuster en veel steviger gebouwd dan een Belgische herder, wat zowel betrekking heeft op het lichaam (de romp) als op het hoofd (11).   

4.Een ‘hypertype’ is een type van hond dat de gewenste rastypische kenmerken in overdreven mate vertoont. Het is dus niet een hond ‘met een gebrek aan type’, in de betekenis van ‘het niet bezitten van de raskenmerken’. ‘Atypisch’ daarentegen betekent dat de essentiële en specifieke raskenmerken onvoldoende of helemaal niet vertoond worden.

5.Het lichaam is ‘tamelijk breed en gedrongen’. Gedrongen (Fr. trapu) wil zeggen ‘eerder klein, kort en sterk gebouwd’ (9). Volgens G. Arin (4) wil dit zeggen dat het Schipperke niet te licht (hoogbenig) en ook niet vet (overdreven gevleesd) mag lijken. Hij preciseert dat het Schipperke sterk en gedrongen moet zijn, maar toch niet zonder elegantie. Volgens de vorige standaarden moest het lichaam van het Schipperke ‘kort en gedrongen’ zijn, maar de laatste standaard preciseert nu veel beter en meer genuanceerd ‘tamelijk’ breed en gedrongen.

6.De Franse term ‘râblé’ betekent dat de lendenen stevig zijn, wat dus een andere betekenis is dan ‘trapu’ (gedrongen).   
  
7.De term ‘droogheid’ heeft niets te maken met de jukbeenderen (Fr. ‘zygomatiques’) (het jukbeen is een jukvormig wangbeen onder het oog, ook nog te definiëren als het voorste gedeelte van de jukbeenboog, die zich onder en opzij van de ogen bevindt). ‘Droog’ betekent dat de hond geen gram vet te veel heeft, dat de huid niet los is, dus zonder rimpels of plooien, dat de hond niet zwaar opgezet of plomp is, dat de bespiering hard en straf is, de structuur pezig,

8.Gebeiteld (Fr. ciselé) (12) wil zeggen dat het hoofd droog is, dus zonder losse huid of rimpels.

 

Referenties:

(1)www.fci.be et www.schipperke.be.

(2)« Het Schipperke is geen Belgische Herder in», Dr. R. Pollet, in het Nederlands nog te verschijnen in het Clubblad van de Koninklijke Schipperkes Club van België. Franse tekst: zie Nr. 2, 2011, p. 20-24.

(3)« Maten, gewicht en grootte van het», Dr. R. Pollet, www.schipperke.be.

(4)« Réflexions sur le Standard du», G. Arin, brochure du Schipperkes Club de France.

(5)« Het hoofd van het», Dr. R. Pollet, www.schipperke.be.  

(6)« Het beendergestel van het», Dr. R. Pollet, nog te verschijnen

(7)« Verkorte rasstandaard van het», Dr. R. Pollet, www.schipperke.be.

(8)« Le», F. E. Verbanck, L’Aboi, 1946, p. 208.

(9)« Kynologisch Lexicon» (exterieur en beweging), Dr. R. Pollet, CirCum publishing, 2002, 166 bladz.

(10) « De hoekingen van het Schipperke », Dr. R. Pollet, nog te verschijnen.

(11) « Encyclopedie van de Belgische Hondenrassen », Dr. Robert Pollet en Prof. Dominique

       Grandjean, Uitgeverij Aniwa SAS, 2006.

(12) « Blueprint of the Belgian Shepherd Dog », Dr. R. Pollet.

(13) FCI, circulaire 98/2009, Modèle de Standard de la FCI.

 

* Voor Nederlandstaligen is het misschien niet zo duidelijk, maar dit artikel verschijnt naar

   aanleiding van een in een Frans clubblad verschenen commentaar op de rasstandaard van het Schipperke.