NB: texte en français à la suite du texte en néerlandais
🇳🇱 MISSCHIEN WIST U HET REEDS?
Het Schipperke is een intelligent hondje!
Dr. R. Pollet
Dr. Stanley Coren (geboren in 1942) is een Amerikaanse neuropsycholoog en een bekende hondentrainer. Hij is professor psychologie aan de “Universiteit van Brits-Columbia” in Vancouver (het Z.W. van Canada). Hij is gespecialiseerd in hondenpsychologie en is een befaamde hondenafrichter. Volgens deze hondenpsycholoog bestaat er niet één soort intelligentie bij honden, maar meerdere ‘vormen van intelligentie’. Zo maakt hij wat honden betreft een onderscheid tussen
– ‘instinctieve intelligentie’ die genetisch geprogrammeerd is,
– ‘adaptieve intelligentie’ of aanpassingen aan situaties, wat in de loop van het leven wordt aangeleerd,
– en ten slotte ‘praktische intelligentie’, die betrekking heeft op ‘africhtbaarheid’ of ‘dresseerbaarheid’ (‘gehoorzaamheid’ en andere disciplines), wat in het Engels ‘trainability’ wordt genoemd.
Dr. Stanley Coren schreef een hele reeks boeken, maar zijn boek “The Intelligence of Dogs” was toch een van zijn belangrijkste. Dit boek werd een in 26 talen (ook in het Nederlands: “De intelligentie van honden”, Uitgeverij Balans/Kritak) vertaalde internationale bestseller die veel herdrukken heeft gekend. De eerste uitgave dateert van 1993 en door dit boek was Coren reeds wereldberoemd in 1994, en dit niet alleen bij hondenliefhebbers. In 2006 kwam er een herziene en bijgewerkte uitgave. In dit boek bespreekt Coren de 132 hondenrassen die hij bestudeerde en hij publiceert hierin een ranglijst (80 niveaus) van de volgens hem meest intelligente rassen. Deze ranglijst is gebaseerd op de ‘praktische intelligentie’, dus de geschiktheid van honden om oefeningen aan te leren onder leiding van een africhter. Na het verschijnen van dit boek werden de waarde en de betekenis van deze ‘rangschikking naar intelligentie’ nogal onder vuur genomen. Eigenaars van rassen die slecht geklasseerd waren wat betreft hun africhtbaarheid gingen erg tekeer, maar eigenaars daarentegen van rassen die als zeer intelligent werden beschouwd, hadden uiteraard alle reden om tevreden te zijn.
De vraag is dan ook ‘is ons Schipperke überhaupt wel terug te vinden in de lijst volgens intelligentie in dit boek van de Amerikaanse hondenkenner’? Het antwoord is bevestigend, maar natuurlijk vragen we ons dan verder nog af : ‘prijkt ons Schipperke bovenaan of onderaan in de lijst’? In deze lijst, die in het boek wordt omschreven als de ‘Rangschikking van hondenrassen naar hun praktische intelligentie’, staat het Schipperke op de 15e plaats. Is dit een goed resultaat? Jawel! Het is zelfs een schitterend resultaat voor een ras dat helemaal niet tot de wereldtop behoort op gebied van verspreiding of populariteit. De eerste drie plaatsen in de rangschikking van Coren worden ingenomen door volgende drie zeer bekende en populaire rassen:
Nr. 1, de ‘Working Sheepdog’ (de Border Collie),
Nr. 2. de Poedel,
Nr. 3, de Duitse herdershond.
In deze lijst van 80 ‘niveaus’ of ‘rangordes van rassen naar intelligentie’ komen volgende Belgische rassen voor:
Nr. 8, het Vlinderhondje (Papillon),
Nr. 14, de Tervuerense herder,
Nr. 15, het Schipperke (samen met de Groenendaeler),
Nr. 22, de Mechelaar (samen met de Berner Sennenhond),
Nr. 29, de Vlaamse Koehond (Bouvier des Flandres) (samen met de Airedale Terrier),
Nr. 45, het Krulharig Leeuwtje (Bichon à poil frisé) (samen met de Siberische Husky en de Engelse Dwergspaniels),
Nr. 59, het Brussels Griffonnetje (samen met de Maltezer),
Nr. 74, de Sint-Hubertushond (Bloodhound).
Op te merken valt dat in deze door Stanley Coren opgemaakte lijst er eigenlijk 132 hondenrassen voorkomen, en dat er 80 ‘plaatsen’ of ‘niveaus’ worden toegekend. Dit kleiner aantal niveaus komt door de vele ex aequo’s (zie hierboven). Zo deelt het Schipperke de 15e plaats met de Groenendaeler. We brengen ook in herinnering dat de ‘variëteiten’ van de Belgische herder, in Amerika (USA) als afzonderlijke rassen geregistreerd worden. Verder is het wel enigszins verwonderlijk dat in deze lijst van intelligentieniveaus de Tervuerense herder beter gerangschikt staat dan de Mechelaar, maar vooral ook dat deze laatste door het Schipperke wordt ‘geklopt’! Dit is vooral verrassend omdat het maar al te goed bekend is dat de Mechelaar als werkhond, sporthond en diensthond, de nummer één is geworden en in internationale wedstrijden voor werkhonden sedert geruime tijd een absoluut dominerende positie heeft ingenomen. Sedert geruime tijd is de Mechelse herder zelfs de Duitse herder voorbijgestreefd als gebruikshond. De allergrootste verrassing is misschien nochtans dat het Belgische Vlinderhondje tot de allerhoogste top behoort (niveau 8). Fokkers en eigenaars van Vlinderhondjes of Papillons (we zullen er het Nachtvlinderhondje of Phalène maar bijnemen) en ook de Belgische kynologie (en de Franse ‘cynophilie’) mogen dus terecht een hoge borst opzetten.
Wat de ranglijst van de rassen betreft onderscheidt Stanley Coren de volgende groepen op gebied van praktische intelligentie:
1. De allerintelligentste honden
De 10 rassen die de eerste plaatsen (niveaus van 1 tot en met 10) van het klassement van Coren innemen, zijn de echte werk- en gehoorzaamheidskampioenen en ze behoren tot de absolute top (‘brightest dogs’). Het zijn honden die een eenvoudig commando begrijpen na minder dan vijf herhalingsoefeningen en die dus niet veel praktijkervaring nodig hebben. In 95 % van de gevallen of meer reageren deze honden onmiddellijk op een commando.
2. De uitmuntende werkhonden
Tot het niveau van 11 tot 26, de groep dus van het Schipperke en ook van de Mechelaar, behoren 26 rassen. Het is de groep van de ‘uitmuntende werkhonden’ (‘excellent working dogs’). Voor rassen van deze groep volstaat vijf tot vijftien keer oefenen om iets aan te leren of om een commando te begrijpen. In 85 % van de gevallen of meer reageren de honden van deze groep direct op een commando. Deze rashonden onthouden de commando’s tamelijk goed, maar toch wordt verder oefenen aanbevolen om de uitvoering van de bevelen nog te perfectioneren. De auteur van het boek voegt er nog aan toe dat zelfs een africhter met weinig geduld en ervaring in staat moet zijn om de honden van deze uitmuntende groep goed te laten presteren. Dat een Schipperke intelligent is en gemakkelijk leert en dat gehoorzaamheidsoefeningen en Agility voor hem erg geschikt zijn, dat wisten we natuurlijk reeds, maar het stemt ons toch heel tevreden dat de hondenpsycholoog Stanley Coren dit allemaal in zijn boek nog eens heeft bevestigd.
3. Honden met een meer dan gemiddelde intelligentie
Het valt ons verder ook wel op dat, wat de betreffende rangschikking betreft, de Vlaamse Koehond (Bouvier) met niveau nr. 29 slechts tot de ‘betere middelmoot’ van de werkhonden (‘above average working dogs’) behoort (niveau 27 tot 39, waartoe 29 rassen behoren). Een verklaring zou kunnen zijn dat de Vlaamse Koehond eigenlijk van oorsprong vooral gebruikt werd voor het drijven en bewaken van kudden of van grootvee en dat de testen van Coren gebaseerd waren op gehoorzaamheidsoefeningen en klassieke werkproeven. De Vlaamse Koehond is tegenwoordig misschien vooral een waak-, verdedigings-, dienst- en politiehond, maar dit beantwoordt eigenlijk toch niet helemaal aan zijn echte aanleg en instincten. Daarenboven is hij nu ook nog een zeer betrouwbare gezinshond geworden. De honden van deze groep van 29 rassen presteren ‘boven het gemiddelde’. Dit betekent dat ze een nieuw commando na 15 tot 25 herhalingsoefeningen begrijpen en dat ze in 70 % of meer van de gevallen onmiddellijk reageren op een aangeleerd commando.
4. Gemiddeld intelligente honden
Tot dit niveau van het klassement (niveaus 40 tot 54) behoren de rassen (39 in aantal) waarvan de geschiktheid voor gehoorzaamheids- en werkprogramma’s als ‘middelmatig’ of ‘gemiddeld’ (‘average intelligence’) wordt bestempeld. Om een commando goed te kunnen begrijpen zijn 25 tot 40 herhalingsoefeningen nodig en het opvolgen van een bevel gebeurt dan in 50 % of meer van de gevallen. Het Krulharig Leeuwtje behoort tot deze groep.
5. Tamelijk intelligente honden
Is de groep van het niveau 55 tot 69, waartoe 22 rassen behoren die ‘nauwelijks’ geschikt zijn voor gehoorzaamheidsoefeningen of om als werkhond gebruikt te worden (‘fair working/obedience intelligence’). Deze honden hebben 40 tot 80 herhalingsoefeningen nodig om een nieuw commando te begrijpen en in 30 % van de gevallen of meer reageren ze direct op een commando. Tot deze groep behoort het Brussels Griffonnetje en dus waarschijnlijk ook het Belgisch Griffonnetje en het Klein Brabandertje.
6. De minst intelligente honden
Tot deze groep van rassen (niveau van 70 tot 80, 11 rassen) behoren de honden met de laagste ‘praktische intelligentie’ of anders geformuleerd de honden die dus het minst ‘africhtbaar’ zijn (‘lowest degree of working/obedience intelligence’). Ze hebben 80 tot 100 of meer herhalingsoefeningen nodig om een commando te begrijpen en de onmiddellijke uitvoering van een commando gebeurt slechts in 25 % van de gevallen of minder. Tot deze groep behoort de hond van ons ‘nationaal kynologisch embleem’, de Sint-Hubertushond (Bloodhound). We willen hier opmerken dat deze hond gelukkig heel wat andere ‘gespecialiseerde’ pijlen op zijn boog heeft, vooral dan zijn uitzonderlijke geschiktheid voor speurwerk, want hij is een superspeurder, de beroemdste speurhond ter wereld.
We kunnen ons nog afvragen wat Stanley Coren in zijn boek nog meer te vertellen heeft over ons Schipperke, behalve het feit dat het als ras vermeld staat in zijn rangschikking naar praktische hondenintelligentie. Om te beginnen schrijft Coren dat Schipperkes zeer goed presteren voor wat betreft ‘probleemoplossend vermogen’. Verder ook nog dat het Schipperke, voor wat betreft zijn sociaal gedrag, eigenlijk van nature niet tot de top behoort. In klare taal betekent dit dat het Schipperke zich niet altijd optimaal gedraagt in gezelschap van veel vreemde mensen of van andere honden. In het boek wordt verder ook nog vermeld dat wolven van het noordelijk halfrond de voorvaderen zijn van het Schipperke, maar dergelijke informatie leert ons natuurlijk maar heel weinig, want deze wolven zijn eveneens de voorvaderen van zeer veel andere rassen, zoals de Duitse herder.
Zoals reeds hoger vermeld behoren in de door Coren opgemaakte rangschikking de tien eerste rassen tot de allerhoogste top. Het Schipperke behoort niet tot deze topgroep, maar behoort wel qua praktische intelligentie tot de tweede groep, die toch nog de groep van de ‘uitmuntende werkhonden’ wordt genoemd, wat bijv. betekent (zie hoger) dat ze een nieuw commando al na 5 tot 15 keer oefenen beheersen. Niettegenstaande dit prachtige resultaat in de rangschikking volgens intelligentie kunnen we ons toch nog afvragen hoe het eigenlijk komt dat het Schipperke niet tot de echte ‘absolute top’ behoort. Stanley Coren verklaart dit niet, wat we ook niet hadden verwacht. Deze vraag kan nochtans misschien toch op meerdere wijzen beantwoord worden.
Om te beginnen zou het kunnen dat het Schipperke als ras niet tot de absolute top-tien behoort, omdat het een hondenras betreft met een sterke persoonlijkheid en verder ook nog omdat Schipperkes ondernemender en zelfstandiger zijn dan de meeste andere herdershonden. Deze sterke persoonlijkheid en dit onafhankelijk karakter, waar we trouwens veel van houden, verklaren wellicht waarom Schipperkes tijdens het uitvoeren van oefeningen niet altijd zin hebben om onmiddellijk te gehoorzamen. Er mag immers ook niet vergeten worden dat bij echte werkhonden hun van nature extreem afhankelijk karakter en hun extreme wil om het baasje te plezieren zeer gunstig zijn om iets vlug aan te leren. Honden met deze karaktertrekken kunnen gemakkelijker tot de absolute top kunnen behoren. In dit verband mag ook niet vergeten worden dat de door Cohen uitgewerkte intelligentietest eigenlijk uitsluitend steunt op een evaluatie van de prestaties tijdens gehoorzaamheidswedstrijden en werkproeven. We weten verder ook dat Schipperkes verstandige en levendige hondjes zijn, die zich dus tamelijk vlug vervelen en verstrooid zijn, waardoor ze zich in vergelijking met van nature rustiger honden niet zo goed kunnen concentreren op oefeningen die moeten aangeleerd worden. Al deze beschouwingen zouden dus kunnen verklaren waarom Schipperkes niet tot de toptien van de africhtbare honden behoren en waarom ze niet een nog hogere rang hebben gekregen op de lijst van hondenintelligentie.
Ten slotte kunnen we nog vermelden dat in de rasstandaard te lezen staat dat het Schipperke “befaamd was als jager op muizen, ratten, mollen en ander ongedierte”, wat toch wel enigszins zijn ‘veelzijdigheid’ of ‘polyvalentie’ (zijn zeer uiteenlopende capaciteiten) aantoont in dienst van de mensen. De veelzijdigheid van het Schipperke blijkt verder ook uit zijn onbeperkte werkcapaciteiten, ook nu nog, bijvoorbeeld als drijvershond, als hoeder van kleinvee (schapen, ganzen, enz.), als waak- en als speurhond. De polyvalentie of veelzijdigheid van het Schipperke wilden we hier beklemtonen, omdat honden die specifiek zijn gefokt om deel te nemen aan gehoorzaamheidswedstrijden en werkproeven volgens de verdedigingshondprogramma’s, zich veel beter kunnen concentreren om oefeningen uit te voeren die bedoeld zijn voor sport- en diensthonden. Voor een hond die in staat is om van alles en nog wat te presteren, een veelzijdige hond dus zoals het Schipperke, is het immers veel moeilijker om in een discipline uit te blinken die niet specifiek de zijne is en waarvoor hij niet van nature is voorbestemd.
We kunnen hier eindigen met het formuleren van de mening van al diegenen die ooit een Schipperke hebben gehad of nog bezitten, namelijk dat het een sterk, levendig en gezond hondje is, dat met echt verbluffend gemak van alles en nog wat kan aangeleerd worden.
🇫🇷 LE SAVIEZ-VOUS PEUT-ÊTRE DÉJÀ ?
Le Schipperke est un petit chien intelligent !
Dr R. Pollet
Le Dr Stanley Coren (né en 1942) est un neuropsychologue américain et un dresseur de chiens renommé. Il est professeur de psychologie à l’Université de la Colombie-Britannique à Vancouver (sud-ouest du Canada). Il est spécialisé en psychologie canine et jouit d’une grande réputation en tant que spécialiste du dressage.
Selon ce psychologue canin, il n’existe pas une seule forme d’intelligence chez le chien, mais plusieurs « formes d’intelligence ». En ce qui concerne les chiens, il distingue ainsi :
- l’« intelligence instinctive », programmée génétiquement ;
- l’« intelligence adaptative », c’est-à-dire la capacité d’adaptation aux situations, acquise au cours de la vie ;
- et enfin l’« intelligence pratique », qui concerne l’aptitude au dressage ou la « dressabilité » (obéissance et autres disciplines), appelée en anglais trainability.
Le Dr Stanley Coren a écrit toute une série d’ouvrages, mais son livre The Intelligence of Dogs est sans doute l’un des plus importants. Cet ouvrage est devenu un best-seller international, traduit en 26 langues (y compris en néerlandais sous le titre De intelligentie van honden, Éditions Balans/Kritak) et a connu de nombreuses rééditions. La première édition date de 1993 et, grâce à ce livre, Coren était déjà mondialement célèbre en 1994, et pas seulement auprès des amateurs de chiens. En 2006, une édition révisée et mise à jour a été publiée.
Dans cet ouvrage, Coren analyse 132 races de chiens et y publie un classement (80 niveaux) des races qu’il considère comme les plus intelligentes. Ce classement est basé sur l’« intelligence pratique », c’est-à-dire l’aptitude des chiens à apprendre des exercices sous la direction d’un dresseur. Après la parution du livre, la valeur et la signification de ce « classement de l’intelligence » ont été largement critiquées. Les propriétaires de races mal classées en matière de dressabilité ont vivement réagi, tandis que les propriétaires de races considérées comme très intelligentes avaient, bien entendu, toutes les raisons d’être satisfaits.
La question se pose donc : « Notre Schipperke figure-t-il seulement dans la liste d’intelligence de ce livre du spécialiste américain du chien ? » La réponse est affirmative, mais une autre question se pose alors : « Notre Schipperke figure-t-il en haut ou en bas de la liste ? »
Dans cette liste, décrite dans le livre comme le « Classement des races de chiens selon leur intelligence pratique », le Schipperke occupe la 15ᵉ place. Est-ce un bon résultat ? Oui, absolument ! C’est même un résultat remarquable pour une race qui ne fait pas partie des plus répandues ni des plus populaires au monde.
Les trois premières places du classement de Coren sont occupées par les races très connues et populaires suivantes :
- n° 1 : le chien de berger de travail (Border Collie),
- n° 2 : le Caniche,
- n° 3 : le Berger allemand.
Dans cette liste de 80 « niveaux » ou « rangs d’intelligence », les races belges suivantes sont représentées :
- n° 8 : l’Épagneul papillon (Papillon),
- n° 14 : le Berger belge Tervueren,
- n° 15 : le Schipperke (ex æquo avec le Groenendael),
- n° 22 : le Berger belge Malinois (ex æquo avec le Bouvier bernois),
- n° 29 : le Bouvier des Flandres (ex æquo avec l’Airedale Terrier),
- n° 45 : le Bichon frisé (ex æquo avec le Husky sibérien et les Épagneuls nains anglais),
- n° 59 : le Griffon bruxellois (ex æquo avec le Bichon maltais),
- n° 74 : le Chien de Saint-Hubert (Bloodhound).
Il convient de noter que, dans la liste établie par Stanley Coren, 132 races de chiens sont en réalité mentionnées, mais que seules 80 « places » ou « niveaux » sont attribués. Ce nombre réduit de niveaux s’explique par les nombreux ex æquo (voir ci-dessus). Ainsi, le Schipperke partage la 15ᵉ place avec le Groenendael.
Nous rappelons également que les « variétés » du Berger belge sont enregistrées comme des races distinctes aux États-Unis. Il est par ailleurs quelque peu surprenant que, dans ce classement des niveaux d’intelligence, le Berger belge Tervueren soit mieux classé que le Malinois, et plus encore que ce dernier soit « devancé » par le Schipperke ! Cela est d’autant plus étonnant que le Malinois est largement reconnu comme chien de travail, de sport et de service numéro un, occupant depuis longtemps une position absolument dominante dans les compétitions internationales de chiens de travail. Depuis un certain temps déjà, le Berger belge Malinois a même dépassé le Berger allemand en tant que chien utilitaire.
La plus grande surprise est peut-être que le Papillon belge figure parmi l’élite absolue (niveau 8). Les éleveurs et propriétaires de Papillons (et nous y associons le Phalène) ainsi que la cynologie belge (et la cynophilie française) peuvent donc légitimement en être très fiers.
Concernant le classement des races, Stanley Coren distingue les groupes suivants en matière d’intelligence pratique :
1. Les chiens les plus intelligents
Les 10 races occupant les premières places (niveaux 1 à 10) du classement de Coren sont les véritables champions du travail et de l’obéissance et appartiennent à l’élite absolue (brightest dogs). Ce sont des chiens qui comprennent un ordre simple après moins de cinq répétitions et qui ont donc besoin de peu de pratique. Dans 95 % des cas ou plus, ils réagissent immédiatement à un ordre.
2. Les excellents chiens de travail
Du niveau 11 au niveau 26, groupe auquel appartiennent notamment le Schipperke et le Malinois, on trouve 26 races. Il s’agit du groupe des « excellents chiens de travail » (excellent working dogs). Pour ces races, cinq à quinze répétitions suffisent pour apprendre quelque chose ou comprendre un ordre. Dans 85 % des cas ou plus, les chiens de ce groupe réagissent immédiatement à un ordre. Ces chiens mémorisent assez bien les ordres, mais un entraînement supplémentaire est recommandé afin de perfectionner leur exécution. L’auteur ajoute qu’un dresseur disposant de peu de patience et d’expérience devrait néanmoins être capable d’obtenir de bonnes performances de la part des chiens de ce groupe d’excellence.
Que le Schipperke soit intelligent, apprenne facilement et soit particulièrement adapté aux exercices d’obéissance et à l’agility, nous le savions déjà, mais il est très satisfaisant que le psychologue canin Stanley Coren le confirme une fois encore dans son livre.
3. Les chiens à intelligence supérieure à la moyenne
Il est également frappant de constater que, dans ce classement, le Bouvier des Flandres (niveau 29) ne fait partie que du « haut de la moyenne » des chiens de travail (above average working dogs), groupe allant du niveau 27 au niveau 39 et comprenant 29 races. Une explication pourrait être que le Bouvier des Flandres était à l’origine principalement utilisé pour la conduite et la garde des troupeaux ou du gros bétail, tandis que les tests de Coren reposaient sur des exercices d’obéissance et des épreuves de travail classiques. Aujourd’hui, le Bouvier est surtout un chien de garde, de défense, de service et de police, ce qui ne correspond pas entièrement à ses dispositions et instincts naturels. De plus, il est devenu un chien de famille très fiable.
Les chiens de ce groupe affichent des performances « supérieures à la moyenne » : ils comprennent un nouvel ordre après 15 à 25 répétitions et y répondent immédiatement dans 70 % des cas ou plus.
4. Les chiens d’intelligence moyenne
Ce niveau du classement (niveaux 40 à 54) regroupe 39 races dont l’aptitude aux programmes d’obéissance et de travail est qualifiée de « moyenne » (average intelligence). Il faut 25 à 40 répétitions pour comprendre correctement un ordre, et celui-ci est exécuté dans 50 % des cas ou plus. Le Bichon frisé appartient à ce groupe.
5. Les chiens assez intelligents
Ce groupe correspond aux niveaux 55 à 69 et comprend 22 races considérées comme « peu » adaptées aux exercices d’obéissance ou au travail (fair working/obedience intelligence). Ces chiens ont besoin de 40 à 80 répétitions pour comprendre un nouvel ordre et y réagissent immédiatement dans 30 % des cas ou plus. Le Griffon bruxellois appartient à ce groupe, et probablement aussi le Griffon belge et le Petit Brabançon.
6. Les chiens les moins intelligents
Ce groupe (niveaux 70 à 80, soit 11 races) rassemble les chiens présentant la plus faible « intelligence pratique », autrement dit les chiens les moins « dressables » (lowest degree of working/obedience intelligence). Ils nécessitent 80 à 100 répétitions, voire davantage, pour comprendre un ordre, et l’exécutent immédiatement dans 25 % des cas ou moins. Le Chien de Saint-Hubert (Bloodhound), emblème cynologique national, appartient à ce groupe. Il convient toutefois de souligner que ce chien possède heureusement d’autres qualités très spécialisées, notamment une aptitude exceptionnelle au pistage : c’est un pisteur hors pair, le chien de recherche le plus célèbre au monde.
On peut encore se demander ce que Stanley Coren dit d’autre du Schipperke dans son livre, en dehors de sa place dans le classement de l’intelligence pratique. Tout d’abord, Coren écrit que les Schipperkes obtiennent d’excellents résultats en matière de « résolution de problèmes ». Il précise également que, sur le plan du comportement social, le Schipperke n’appartient pas naturellement à l’élite. En termes clairs, cela signifie que le Schipperke ne se comporte pas toujours de manière optimale en présence de nombreux étrangers ou d’autres chiens. Le livre mentionne également que les loups de l’hémisphère nord sont les ancêtres du Schipperke, une information qui, en réalité, nous apprend peu de choses, puisque ces loups sont aussi les ancêtres de nombreuses autres races, comme le Berger allemand.
Comme mentionné précédemment, les dix premières races du classement établi par Coren constituent l’élite absolue. Le Schipperke n’en fait pas partie, mais il appartient néanmoins, en termes d’intelligence pratique, au deuxième groupe, celui des « excellents chiens de travail », ce qui signifie notamment qu’il maîtrise un nouvel ordre après seulement 5 à 15 répétitions.
Malgré ce magnifique résultat, on peut encore se demander pourquoi le Schipperke n’appartient pas à l’élite absolue. Stanley Coren ne l’explique pas, ce qui n’est d’ailleurs pas surprenant. Cette question peut toutefois être abordée de plusieurs manières.
Tout d’abord, il se pourrait que le Schipperke ne fasse pas partie du top dix absolu parce qu’il s’agit d’une race dotée d’une forte personnalité et parce que les Schipperkes sont plus entreprenants et plus indépendants que la plupart des autres chiens de berger. Cette forte personnalité et ce caractère indépendant — que nous apprécions d’ailleurs beaucoup — expliquent sans doute pourquoi les Schipperkes n’ont pas toujours envie d’obéir immédiatement lors de l’exécution d’exercices. Il ne faut pas oublier non plus que, chez les véritables chiens de travail, un caractère extrêmement dépendant et une volonté intense de faire plaisir au maître sont des atouts majeurs pour apprendre rapidement. Les chiens présentant ces traits de caractère ont plus de chances d’appartenir à l’élite.
Il convient également de rappeler que le test d’intelligence élaboré par Coren repose exclusivement sur l’évaluation des performances lors de concours d’obéissance et d’épreuves de travail. Nous savons par ailleurs que les Schipperkes sont des chiens vifs et intelligents, qui s’ennuient assez vite et se laissent facilement distraire, ce qui les empêche parfois de se concentrer aussi bien que des chiens naturellement plus calmes sur les exercices à apprendre. Toutes ces considérations peuvent expliquer pourquoi les Schipperkes ne figurent pas dans le top dix des chiens les plus faciles à dresser et pourquoi ils n’occupent pas une place encore plus élevée dans le classement de l’intelligence canine.
Enfin, on peut rappeler que le standard de la race mentionne que le Schipperke « était réputé comme chasseur de souris, de rats, de taupes et d’autres nuisibles », ce qui démontre clairement sa polyvalence et la diversité de ses capacités au service de l’homme. La polyvalence du Schipperke se manifeste encore aujourd’hui par ses capacités de travail illimitées, par exemple comme chien de conduite, gardien de petit bétail (moutons, oies, etc.), chien de garde ou chien de pistage.
Nous avons voulu souligner cette polyvalence, car les chiens spécifiquement sélectionnés pour participer à des concours d’obéissance et à des épreuves de travail selon des programmes de chiens de défense peuvent se concentrer beaucoup plus efficacement sur des exercices destinés aux chiens de sport et de service. Pour un chien polyvalent, capable de remplir de nombreuses fonctions, comme le Schipperke, il est en effet bien plus difficile d’exceller dans une discipline qui n’est pas spécifiquement la sienne et pour laquelle il n’est pas naturellement destiné.
Pour conclure, nous pouvons reprendre l’avis de tous ceux qui ont déjà possédé un Schipperke ou qui en possèdent encore un : c’est un petit chien robuste, vif et en bonne santé, capable d’apprendre avec une facilité véritablement stupéfiante une multitude de choses
