NB: Le texte en français après le texte néerlandais!
🇳🇱 Het Schipperke is geen Belgische Herder (Groenendaeler) in miniatuur
Vergelijkende studie van de morfologie van de Belgische Herder en het Schipperke door toepassing van de ‘schaalwetten’
Dr. Robert Pollet
Hondenliefhebbers en (schoonheids)keurmeesters hebben altijd veel interesse gehad voor de morfologie (studie van de uitwendige lichaamsvormen) van de hondenrassen. Polymorfisme (veelvormigheid) is een wezenlijk kenmerk van de hond als soort. De morfologische verschillen op gebied van vorm, grootte, gewicht, enz. tussen de rassen onderling zijn inderdaad enorm. Deze grote variabiliteit is bij andere soorten niet terug te vinden. Om deze werkelijk eindeloze verschillen in rasvormen te kunnen kwantificeren en vergelijken, werden door wetenschappers en kynologen talrijke classificatiesystemen uitgedacht. In deze systemen worden de rassen beschreven en onderverdeeld in meerdere types of categorieën, zonder rekening te houden met de mogelijke tussencategorieën.
Deze morfologische classificaties of indelingen zijn beschreven in het hoofdstuk “Morfologie”.
Wat nu de drie types ‘langlijnig’, ‘kortlijnig’ en ‘middellijnig’ betreft, met andere woorden de morfologische classificatie van de rassen naar Baron en Dechambre, is het niet de verhouding van de lichaamslengte tot de schofthoogte die bepalend is voor deze classificatie. Wél bepalend is eigenlijk de verhouding van de oppervlakte van het lichaam tot zijn volume of gewicht. Bij langlijnige honden is deze verhouding eerder groot en bij kortlijnigen eerder klein. De graad van kortlijnigheid verhoogt wanneer de verhouding “oppervlakte / gewicht” vermindert voor een zelfde grootte of gewicht, en dus ook wanneer het gewicht stijgt bij een zelfde schofthoogte. Het omgekeerde geldt voor de graad van langlijnigheid. De verhouding “oppervlakte / volume” is hoog wanneer de vorm van een voorwerp of een organisme sterk verschilt van een bol, dus wanneer een organisme rank of slank is.
Veel auteurs zijn van mening dat al deze (verkeerd begrepen) morfologische termen eigenlijk niets betekenen en ons weinig leren en dat het dus beter zou zijn om uitdrukkingen of termen te gebruiken die iedereen begrijpt, zoals ‘slank’ voor ‘langlijnig’, ‘gedrongen’ voor ‘kortlijnig’ en ‘normale verhoudingen’ of iets dergelijks voor ‘middellijnig’. In de keurrapporten van Belgische Herders leest men regelmatig beschrijvingen zoals ‘middellijnig hoofd’, waar we helemaal niet wijzer van worden. We moeten ons zelfs afvragen of de Belgische Herder eigenlijk wel een zuiver middellijnige hond is (zie verder). Het zou beter en veel duidelijker zijn om in de keurrapporten te noteren ‘goed of typisch hoofd’. Dit moet kunnen volstaan om te zeggen dat het hoofd goed gevormd is, beantwoordt aan de rasvoorschriften (de standaard) en dus ‘typisch’ is. Wat het Schipperke betreft komt in de keurverslagen niet altijd tot uiting dat dit ras eigenlijk nog meer kortlijnig (gedrongen of compact) is dan een Vlaamse Koehond (Bouvier des Flandres), dus dat het Schipperke een ras is dat neigt naar het kortlijnige type en misschien zelfs sub-kortlijnig is (zie verder).
Regelmatig lezen we in (vooral Franse) keurverslagen van zowel Belgische Herders als Schipperkes de omschrijving ‘mooie middellijnige structuur’. Het besluit zou dus kunnen zijn dat Belgische Herders, maar ook Schipperkes typisch middellijnig zijn. Nochtans is enig scepticisme hier op zijn plaats. Zijn deze twee rassen wel ‘puur’ middellijnig? Is de Belgische Herder hiervoor niet wat te elegant en eerder een ras dat ‘neigt’ naar het middellijnige type? En is het uiterlijk van het Schipperke niet wat te robuust om zuiver middellijnig te zijn?
Nog altijd denken sommigen, volledig ten onrechte, dat het Schipperke een Groenendaeler (zwarte, lang-harige Belgische Herder) in het klein is. Nochtans, de anatomische bouw van deze twee rassen is nogal erg verschillend, en het Schipperke is met geen enkel ander ras vergelijkbaar. Spijtig genoeg zijn deze bedenkingen nu nog altijd actueel en pertinent. Tot vandaag denken inderdaad in heel de wereld nog altijd veel liefhebbers en keurmeesters van Schipperkes dat dit ras een Groenendaeler in het klein is, dus morfologisch (wat de bouw betreft) een Belgische Herder in klein formaat. Alhoewel Schipperkes en Belgische Herders een gemeenschappelijke voorvader hebben, met name een oud ras dat ‘Leuvenaar’ genoemd wordt, zijn de verschillen tussen deze twee rassen, alle verhoudingen in acht genomen, toch belangrijk. Kort geschetst komt het er op neer dat het Schipperke robuuster of steviger gebouwd is dan een Belgische Herder, wat zowel betrekking heeft op het lichaam (de romp), dus de borstomvang en de borstbreedte, als op het hoofd (schedel-breedte en snuitlengte). Het enige morfologische kenmerk dat bij Belgische herders en Schipperkes gelijk is, betreft misschien hun vierkante bouw (de lichaamslengte en de schofthoogte die gelijk zijn).
We kunnen nu proberen om aan te tonen dat de Belgische Herder en het Schipperke duidelijk verschillend van bouw zijn, wat vooral komt enerzijds door de elegantie van de Belgische Herder, wat een voor dit ras een belangrijk raskenmerk is, en anderzijds omdat bij het Schipperke, alhoewel in een kleiner formaat, zijn robuuste en stevige bouw essentieel is. Bij het Schipperke is inderdaad zijn lichaam tamelijk breed en gedrongen en wat het hoofd betreft, is de schedel (het voorhoofd) tamelijk breed en is de snuit is korter dan de schedel.
Om nu concreet te bewijzen dat het Schipperke werkelijk robuuster en meer gedrongen of compacter is dan de elegante Belgische Herder, zullen we dit morfologisch verschil kwantificeren, dus de grootte van dit verschil in bouw duidelijk maken, door toepassen van de ‘schaalwetten’. Hiervoor hebben we enkel de gemiddelde schofthoogtes en gewichten van onze twee rassen nodig. De schaalwetten hebben veel toepassingen en zijn vrij eenvoudig. Eigenlijk zijn het de ‘wetten van de kwadraten (tweede machten) en de derde machten’. De schaalwetten leren ons immers dat wanneer we een lengtedimensie van een lichaam variëren, de oppervlakte van het totale lichaamsoppervlak zal veranderen in het kwadraat, en het volume of het gewicht tot de derde macht. Deze wetten kunnen ook op dieren toegepast worden, indien hun vorm (morfologie) of hun verhoudingen dezelfde zijn en enkel hun ‘schaal’ (bijv. variaties in grootte of schofthoogtes) verschilt. Het spreekt vanzelf dat al de hondenlichamen eenzelfde densiteit (dichtheid) hebben en dat dus in de berekeningen volumes en gewichten onderling verwisselbaar zijn.
De schaalwet leert ons dat wanneer de grootte van een individu toeneemt, bijv. wanneer men de schofthoogte van een hond verdubbelt (x 2), dat zijn lichaamsoppervlakte vermenigvuldigd moet worden met 2² = 4. De oppervlakte vermeerdert dus tweemaal meer dan de lineaire dimensie. Wat het volume (of het gewicht) van deze hond betreft, waarbij we veronderstellen dat alle honden dezelfde densiteit hebben, moet er vermenigvuldigd worden met 2³ = 8. Het volume of het gewicht zullen dus tweemaal sneller toenemen dan de oppervlakte. Wanneer dus een lengtedimensie zoals de schofthoogte van een hond verhoogt, is er een belangrijke toename van de lichaamsoppervlakte, maar het volume en het gewicht nemen nog meer toe. Wanneer we de schofthoogte van een hond halveren, wordt zijn lichaamsoppervlakte gedeeld door vier (2²) en zijn volume of gewicht door acht (2³). Als men dus de grootte van een hond verlaagt, dan vermindert zijn oppervlakte, maar zijn volume of gewicht verminderen nog vlugger.
Laten we nu de gemiddelden nemen van de schofthoogtes en de gewichten van de Belgische Herders (BH) en de Schipperkes (Sch). In de rasstandaarden van het Schipperke worden de schofthoogtes niet vermeld, maar voor onze berekeningen namen we de resultaten van metingen en wegingen die we hebben uitgevoerd tijdens een rasspeciale.
Gemiddelden van de schofthoogtes: BH 61 cm; Sch 32,43 cm.
Gewichtsgemiddelden: BH 25 kg; Sch 5,78 kg.
Wanneer een Schipperke zo groot zou zijn als een Belgische herder, zou het 38,5 kg wegen. Anderzijds zou een Belgische Herder met de schofthoogte van een Schipperke 3,75 kg wegen
De resultaten van de berekeningen leren ons dat deze twee rassen morfologisch (qua lichaamsvorm, structuur en uiterlijk) in hoge mate verschillen. Ze tonen enerzijds aan dat het Schipperke veel kortlijniger (robuuster) is dan een Belgische Herder, en anderzijds dat een Belgische Herder veel minder kortlijnig en dus veel eleganter is dan een Schipperke.
We hebben, om het Schipperke met de Vlaamse Koehond te vergelijken, dezelfde op de schaalwetten gebaseerde berekeningen uitgevoerd als hoger. Dit gaf volgende resultaten:
Een Schipperke met de schofthoogte van een Koehond zou 43,39 kg wegen, wat aantoont dat een Schipperke nog iets kortlijniger is dan een Vlaamse Koehond, en anderzijds zou een Vlaamse Koehond met de schofthoogte van een Schipperke 4,56 kg wegen, wat bewijst dat een Schipperke, alle verhoudingen in acht genomen, kortlijniger is dan een Bouvier. Dit is misschien een nogal verrassend resultaat.
Dezelfde berekeningen kunnen uitgevoerd worden voor andere rassen zoals de drie Duitse Schnauzerrassen, met name de (middenslag) Schnauzer, de Riesenschnauzer en de Dwergschnauzer, die worden beschreven in drie fundamenteel dezelfde standaarden, waarin de schofthoogtes en de gewichten verschillen. Deze drie standaarden bepalen dat de Riesenschnauzer en de Dwergschnauzer resp. een vergroot en een verkleind evenbeeld moeten zijn van de Schnauzer, wat eigenlijk in werkelijkheid niet zo is en als na te streven lichaamsbouw ook niet haalbaar. De Duitse Spits (Duitse Keeshond) en de Poedel zijn ook rassen die uit meerdere variëteiten (grootte-slagen) bestaan, maar enkel de schofthoogtes en niet de gewichten worden in deze twee standaarden vermeld. We denken niet dat de lichaamsbouw die beschreven wordt of vermeld staat in deze twee standaarden in overeenstemming is met de schaalwetten. Het mag niet volstaan om in de rasstandaarden enkel te vermelden dat de gewichten van de grootte-variëteiten moeten overeenstemmen met hun schofthoogtes. Men kan zich zelfs afvragen of het wel normaal of realistisch is om in de standaarden van de Schnauzers, de Duitse Keeshonden of de Poedels voor te schrijven dat al de grootte-variëteiten dezelfde lichaamsverhoudingen moeten hebben. Men weet immers dat bij andere soorten (zoals paarden) met verschillen in formaat (grootte en gewicht), de lichaamsverhoudingen erg verschillen. In het algemeen hebben kleine dieren of miniatuur-exemplaren (dwerg-) ten opzichte van hun grotere broers een breder lichaam, een krachtiger beendergestel en een korter hoofd met een breder voorhoofd. Wat verder de Collie en de Sheltie betreft, mag niet beweerd worden dat de Sheltie een Collie in miniatuur is, wat velen hierover ook mogen denken.
De toepassing van de schaalwetten maakt duidelijk dat veel standaarden van rassen met meerdere grootte-slagen zouden moeten herwerkt worden.
Gelukkig echter hebben we wat twee Belgische rassen betreft kunnen bewijzen, steunend op resultaten van metingen en wegingen en met behulp van de ‘schaalwetten’, dat het Schipperke helemaal geen Belgische Herder is in klein formaat. Deze twee rassen hebben weliswaar een gemeenschappelijke voorouder, met name de ‘Leuvenaar’, maar het Schipperke is een herdershondje geworden dat in verhouding robuuster en steviger gebouwd is dan een Belgische Herder, wat zowel geldt voor het lichaam (romp) als voor het hoofd van het Schipperke.
Ten slotte willen we hier nog wat uitleg geven over het gebruik van de morfologische term cob(by). Het is een term afkomstig uit de Engelse ‘paardentaal’. Deze term is bedoeld voor een stevig gebouwd paard met ronde vormen. ‘Cob’ betekent eigenlijk ‘een ronde massa’ of ook nog ‘een gespierd en gedrongen paard, met korte ledematen en stevig beendergestel’. Alhoewel nog niet zo lang geleden bepaalde keurmeesters regelmatig een hond ‘mooi cob’ vonden, komt deze term nu nog maar weinig voor in keurverslagen. In de middens van de Belgische Herder en ook van het Schipperke werd vroeger deze term al te dikwijls verkeerdelijk gebruikt, wanneer men wilde zeggen dat een hond mooi vierkant is. Toch is het maar al te duidelijk dat noch het Schipperke, noch de elegante Belgische Herder beschreven moeten worden als cob. Het gebruik van deze term in de betekenis van ‘vierkant gebouwd’, of om een hond te beschrijven die compact en gedrongen of kortlijnig is, moet absoluut vermeden worden. De term is immers verwarrend, want ‘cob’ en ‘vierkant gebouwd’ zijn twee totaal verschillende zaken. Dat een hond vierkant gebouwd is betekent helemaal niet dat hij ook ‘cob’ is. Er bestaan voldoende andere termen die door keurmeesters, indien nodig, kunnen gebruikt worden in de plaats van ‘cob’. In het Engels bestaan de synoniemen ‘compact’, short-bodied’, ‘thick-set’, ‘stocky’ en ‘blocky’, en in het Nederlands ‘compact’, ‘gedrongen’, ‘geblokt’, ‘massief’ en‘stevig’, en eventueel ‘plomp’ of ‘log’.
🇫🇷 Le Schipperke n’est pas un Berger Belge (Groenendael) en miniature
Par. Dr. Robert Pollet
Étude comparative de la morphologie du Schipperke et du Berger Belge, par application des lois d’échelle
La morphologie (forme extérieure d’un organisme, science de la forme corporelle) des races de chiens a toujours suscité l’intérêt des cynophiles et des juges canins (juges d’exposition). L’espèce canine est dominée par son ‘polymorphisme’ (se présentant sous des formes différentes). En effet, les différences morphologiques (de forme, de taille, de poids, etc.) entre les races canines sont énormes. Cette variabilité d’une race canine à l’autre, n’est jamais atteinte par d’autres espèces. Les scientifiques et les cynologues, qui veulent quantifier et comparer les variations vraiment infinies des formes anatomiques des races canines, ont développés de nombreux systèmes pour classer ces variations. Ces systèmes sont des descriptions qui classent les races en plusieurs types ou catégories extrêmes, sans tenir compte des types intermédiaires. Les classifications morphologiques sont décrites dans le chapitre « Morphologie », p. 42.
En ce qui concerne les trois types de chiens selon la classification des races de chiens de Baron et Dechambre, à savoir les ‘longilignes’, les ‘brévilignes’ et les ‘médiolignes’, ce n’est pas le rapport « longueur du corps/hauteur au garrot » qui détermine cette classification morphologique. Ce qui est en dernière analyse important et déterminant, c’est le rapport entre la surface et le volume du corps du chien. Chez un longiligne ce rapport est plutôt grand et chez un bréviligne plutôt petit. Le degré de brévilignité augmente quand le rapport « surface / poids » diminue, donc quand la surface diminue pour un même poids ou une même taille, et aussi quand le poids augmente pour une même taille. Pour le degré de longilignité c’est l’inverse. Le rapport surface / volume est élevé quand la forme d’un objet ou d’un organisme est très différente de celle d’une sphère, donc quand le corps du chien est élancé ou svelte.
Beaucoup d’auteurs trouvent que ces termes morphologiques (mal compris) sont vides de sens et peu instructifs, et qu’il vaut donc mieux d’employer des expressions ou des termes compris par tout le monde, comme ‘chien élancé’ pour ‘longiligne’, ‘trapu’ pour ‘bréviligne’ et ‘de proportions moyennes’, ou quelque chose de ce genre, pour ‘médioligne’. Dans les rapports de juge des Bergers Belges et du Schipperke, on lit régulièrement des expressions comme ‘tête médioligne’, ce qui ne nous apprend évidemment rien du tout. On pourrait même se demander si le Berger Belge et le Schipperke sont de vrais médiolignes (voir plus loin). Mentionner dans les rapports de juge ‘bonne tête’, ‘tête typique’ ou ‘tête de bonne forme’, ce qui veut dire tout simplement que la tête est de bonne morphologie, conforme aux critères (du Standard) de la race, donc une tête ‘dans le type’, est beaucoup plus compréhensible que ‘tête médioligne’. Quant au Schipperke, les rapports de juge ne nous donnent pas toujours l’impression qu’il s’agit d’une race plus bréviligne qu’un Bouvier des Flandres (voir plus loin) et donc que le Schipperke est une race ‘à tendance bréviligne’ ou peut-être une race ‘sub-bréviligne’.
Régulièrement aussi nous lisons dans des rapports de juge des Bergers Belges et des Schipperkes la description ‘jolie construction médioligne’. On pourrait donc en conclure que les Bergers Belges et aussi les Schipperkes sont des chiens typiquement médiolignes. Pourtant, nous devons être sceptiques. Ces deux races, sont-elles vraiment des médiolignes purs ? Est-ce que le Berger Belge n’est pas trop élégant pour être un vrai médioligne ? N’est-ce pas plutôt un chien qui ‘tend vers le type médioligne ? Et le Schipperke, n’est-il pas de gabarit un peu trop robuste pour être un médioligne ?
D’aucuns se figurent encore, mais tout à fait à tort, que le Schipperke est un Groenendael (Berger Belge noir à poil long) en réduction. Pourtant, la structure anatomique de ces deux races est fort différente. L’extérieur et la silhouette du Schipperke sont uniques, et le Schipperke, au point de vue anatomique, n’est comparable à aucune autre race. C’est bien dommage que ces réflexions soient encore toujours actuelles et pertinentes. En effet, même de nos jours, beaucoup de juges et d’amateurs de Schipperkes dans le monde entier, continuent à croire que cette race est à vrai dire un Berger Belge en miniature, ou que, morphologiquement (en ce qui concerne la forme extérieure et la structure), c’est un Berger Belge (un Groenendael) de petit format.
Quoique les Schipperkes et les Bergers Belges aient des ancêtres communs, à savoir une ancienne race qui est appelée ‘Leuvenaar’ (‘habitant de Louvain’ ou ‘Louvaniste’), les différences entre ces deux races, toutes proportions gardées, sont quand même importantes. En bref, le Schipperke est de conformation plus robuste ou de structure plus solide que le Berger Belge, ce qui concerne tant le corps (le périmètre thoracique et la largeur du tronc) que la tête (la largeur du crâne et la longueur du museau). La seule caractéristique morphologique identique du Berger Belge et du Schipperke est peut-être leur construction carrée (la ‘hauteur au garrot’ et la ‘longueur du corps’ qui sont égales).
Nous pouvons donc maintenant essayer de démontrer que la différence morphologique entre ces deux races est marquée, ce qui tient surtout au fait que d’une part chez le Berger Belge l’élégance est une caractéristique raciale importante, et que d’autre part chez le Schipperke, quoique sous un format réduit, sa conformation robuste et solide est essentielle. Le corps du Schipperke est en effet assez large et trapu, et quant à sa tête, le front est assez large et le museau est plus court que le crâne.
Pour prouver que le Schipperke est vraiment plus robuste et plus trapu que l’élégant Berger Belge, nous allons quantifier cette différence morphologique entre ces deux races en appliquant ce qu’on appelle la « loi d’échelle ». Pour cela, nous avons seulement besoin des tailles moyennes
et des poids moyens de ces deux races. La ‘loi d’échelle’, appelée aussi ‘loi des carrés et des cubes’, a beaucoup d’applications et est facile à comprendre. Cette loi dit que, si à densité constante, une dimension de longueur d’un corps varie, la surface va varier au carré et le volume (ou le poids) au cube. Cette loi s’applique aussi aux animaux, s’ils sont semblables dans la forme et différents seulement dans l’échelle (p. ex. quand il y a seulement des variations de taille). Il va de soi que les corps des chiens ont une même densité et que donc dans les calculs les volumes et les poids sont interchangeables.
La loi d’échelle nous apprend que quand la taille d’un individu s’accroît, par exemple quand on double la taille (hauteur au garrot) d’un chien, que sa surface est multipliée par 2² = 2 x 2 = 4.
Donc dans ce cas la surface augmente deux fois plus vite qu’une dimension de longueur. Quant au volume (ou poids) de ce chien (nous supposons que tous les chiens ont la même densité), on doit multiplier par 2³ = 2 x 2 x 2 = 8. Donc le volume ou le poids augmenteront deux fois plus vite que la surface. Ainsi, quand on augmente une dimension linéaire comme la taille, la surface du corps croît notablement, mais le volume et la masse (le poids) du corps croissent encore plus que sa surface.
Quand nous divisons la taille d’un chien par deux, sa surface est divisée par quatre (2²) et son volume ou son poids par huit (2³). Donc, quand on réduit la taille d’un animal (d’un chien), la surface décroît, mais son volume ou son poids décroît encore plus vite.
Pour nos calculs nous avons besoin des tailles moyennes et des poids moyens des Bergers Belges (BB) et des Schipperkes (Sch). Dans le Standard de race du Schipperke les tailles ne sont pas mentionnées, mais nous avons utilisé les résultats des mensurations et des pesées que nous avons effectuées lors d’une spéciale de race (voir p. 52) :
Moyennes des tailles (hauteurs au garrot) : BB 61 cm ; Sch 32,43 cm.
BB = Berger Belge, Sch = Schipperke
Moyennes des poids : BB 25 kg ; Sch 5,78 kg.
Un Schipperke pèserait 38,5 kg, s’il avait la taille d’un Berger Belge.
D’autre part, un Berger Belge ayant la taille d’un Schipperke,
pèserait 3,75 kg.
Les résultats des calculs prouvent que les morphologies (formes corporelles, structures, apparences extérieures) de ces deux races sont fondamentalement différentes. Ils démontrent que d’une part le Schipperke est beaucoup plus bréviligne (plus robuste) que le Berger Belge, et que d’autre part le Berger Belge est beaucoup moins bréviligne (de structure beaucoup plus élégante) que le Schipperke.
Nous avons effectué les mêmes calculs que plus haut, basés sur les lois d’échelle, pour comparer le Schipperke avec le Bouvier des Flandres,
Un Schipperke ayant la taille d’un Bouvier pèserait 43,39 kg et un Bouvier ayant la taille d’un Schipperke pèserait 4,56 kg.
Apparemment, toutes proportions gardées, le Schipperke est plus bréviligne (un peu plus solidement bâti) que le Bouvier, ce qui est peut-être assez surprenant.
Ces mêmes calculs peuvent être appliqués à d’autres races qui comprennent plusieurs variétés de taille. Les résultats de ces calculs nous prouvent par exemple que le Schnauzer Géant et le Schnauzer nain ne sont pas respectivement l’image agrandie et un modèle réduit du Schnauzer moyen. Pourtant, le Standard stipule que les variétés de taille de cette race doivent avoir les mêmes proportions corporelles.
Quant au Spitz Allemand et le Caniche, deux races ayant plusieurs variétés de taille, les morphologies mentionnées dans leurs Standards ne sont pas conformes aux lois d’échelle.
On sait en effet que chez d’autres espèces (p. ex. les chevaux), chez lesquelles il peut y avoir des différences de format (taille et poids), les proportions corporelles sont très différentes. En général, les animaux ‘de petite taille’ ou ‘en miniature’ ont, par rapport aux grands exemplaires, un corps plus large, une ossature plus forte et une tête plus courte, dont le front est plus large.
Quant aux Collies et Shelties par exemple, quoiqu’en pensent beaucoup de juges, le Sheltie n’est pas vraiment un Collie en miniature.
L’application des lois d’échelle démontre que beaucoup de Standards de races comprenant des variétés de taille, devraient être remaniés.
Heureusement nous avons pu prouver ici, en nous basant sur des résultats de mensurations et de pesées, que le Schipperke n’est pas du tout un Berger Belge en miniature. Quoique ces deux races aient un ancêtre commun, à savoir le Leuvenaar, le Schipperke est devenu un petit Berger de conformation plus robuste et de structure beaucoup plus solide que le Berger Belge, ce qui concerne tant le corps (le tronc) que la tête du Schipperke.
Finalement nous pouvons encore faire quelques remarques sur l’utilisation du terme morphologique ‘cob’ ou ‘cobby’. C’est un terme du langage hippique anglais, utilisé pour désigner un cheval fortement charpenté et aux formes arrondies. ‘Cob’ signifie ‘une masse arrondie’ ou encore ‘un cheval musclé et trapu, aux pattes courtes et à l’ossature solide’. Il n’y a pas tellement longtemps, certains juges canins employaient encore régulièrement l’expression ‘chien bien cob’, mais maintenant le terme cob a presque disparu du vocabulaire des juges. Ce terme était utilisé abusivement quand on voulait dire qu’un chien est ‘bien carré’. Il est clair que ni le Schipperke, ni certainement une race aussi élégante que le Berger Belge, ne sont ‘cob’, et que l’utilisation de ce terme comme synonyme de ‘bâti au carré’ ou pour caractériser un chien trapu ou bréviligne doit être évitée à tout prix. C’est donc un terme qui prête à confusion, parce que ‘bâti en cob’ et ‘construit au carré’, sont deux choses différentes. Un chien ‘inscriptible dans un carré’ n’est pas obligatoirement cob, loin de là.
En anglais, les meilleurs synonymes de ‘cob’ sont ‘compact’, ‘short-bodied’, ‘thick-set’, ‘stocky’ et ‘blocky’, et en français, les traductions de ces synonymes sont ‘compact’, ‘trapu’, ‘ramassé’, ‘râblé’ et éventuellement ‘tassé’ ou ‘courtaud’, des termes donc qui, si nécessaire, peuvent être utilisés plutôt que cob ou cobby.
