PDF TELECHARGEABLE :
STANDARD FCI DU SCHIPPERKE EN FRANCAIS
PDF TO DOWNLOAD:
FCI SCHIPPERKE STANDARD IN ENGLISH
NB: LA VERSION EN FRANÇAIS SUIT LA VERSION EN NÉERLANDAIS
KONINKLIJKE KYNOLOGISCHE UNIE SINT-HUBERTUS
A. Giraudlaan, 98, 1030 Brussel.
Stichtend lid ‘Fédération Cynologique Internationale’.
F.C.I.-STANDAARD Nr. 83 / 14.12.2009 / Nederlands
SCHIPPERKE
Nederlandse tekst: Dr. R. Pollet
LAND VAN HERKOMST: België.
PUBLICATIEDATUM VAN DE OFFICIËLE GELDIGE STANDAARD: 28.07.2009.
GEBRUIK: Kleine waak- en gezelschapshond.
GROEPSINDELING F.C.I.: Groep 1: Herders- en veedrijvershonden (uitgezonderd Zwitserse veedrijvershonden).
Sectie 1: Herdershonden. – Zonder werkproef.
KORTE GESCHIEDENIS VAN HET RAS:
In Vlaams dialect betekent Schipperke ‘kleine scheper’ of ‘herdershondje’. De gemeenschappelijke voorvader van de Belgische Herdershonden en van de Schipperkes zou een oud ras zijn, een herdershond, meestal zwart en tamelijk klein, die ‘Leuvenaar’ wordt genoemd. Zijn oorsprong gaat terug tot de 17de eeuw. Rond 1690 was het Schipperke de lievelingshond van de volksmensen en van de Brusselse schoenlappers van de Sint-Gorikswijk, die wedstrijden organiseerden om de halsbanden in gedreven koper te laten bewonderen waarmede ze hun honden sierden. De staart werd volledig afgesneden, een mode die naar het schijnt reeds dateert uit de 15de eeuw. Het Schipperke was befaamd als jager op muizen, ratten, mollen en ander ongedierte.
Het Schipperke werd voor de eerste maal tentoongesteld in 1882 in de stad Spa. Hij werd in de mode gebracht door de Belgische koningin Maria Henrica.
In 1887 deden de Schipperkes hun intrede in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten.
De eerste rasstandaard werd vastgesteld in 1888 door de voor het ras verantwoordelijke club, die in datzelfde jaar werd opgericht en die de oudste Belgische rasvereniging is. In de loop der jaren is het dan wel nodig geweest om zich aan het werk te zetten om eenheid te brengen in het type. In die tijd werd inderdaad gesproken van de variëteiten of types van Antwerpen, Leuven en Brussel.
ALGEMEEN VOORKOMEN:
Het Schipperke is een herdershond in klein formaat en is dus lupoïde, maar zeer stevig gebouwd. Zijn hoofd is wigvormig, de schedel tamelijk ontwikkeld en de snuit betrekkelijk kort. Zijn lichaam is harmonisch, kort, tamelijk breed en gedrongen, maar de ledematen zijn fijn van bot. De beharing is zeer karakteristiek, overvloedig en recht, en vormt een halskraag, manen, een borstveer en een broek, wat hem zijn waarlijk uniek silhouet verleent. Het geslachtsdiformisme (vormverschillen tussen de geslachten) is duidelijk. Zijn lichaamsbouw zonder anomalieën, evenals zijn kenmerkende eigenschappen en zijn herdershondenkarakter, dit alles in klein formaat, verklaren zijn grote populariteit die tot ver over de Belgische grenzen reikt.
BELANGRIJKE VERHOUDINGEN:
· De schofthoogte en de lichaamslengte zijn gelijk, het is dus een vierkant gebouwde hond.
· De borst is goed diep, tot ellebooghoogte reikend.
· De snuit is duidelijk minder lang dan de helft van de hoofdlengte.
GEDRAG / KARAKTER:
Een uitmuntend waakhondje, een uitzonderlijke ‘waarschuwer’, bruisend van vitaliteit, afzijdig ten opzichte van vreemden. Beweeglijk, lenig, onvermoeibaar, altijd bezig met wat er rond hem gaande is, klaar om te bijten bij voorwerpen die hem ter bewaking worden toevertrouwd, zeer lief voor kinderen, altijd nieuwsgierig om te weten wat er gebeurt achter een deur of een voorwerp dat men zal verplaatsen, lucht gevend aan zijn gevoelens door zijn schel geblaf en zijn rechtopstaande manen en rugbeharing. Hij is een snuffelaar, die jaagt op ratten, mollen en ander ongedierte.
HOOFD:
Wolfachtig (lupoïde), wigvormig, maar niet al te gestrekt en voldoende breed om in harmonie te zijn met het lichaam. Wenkbrauw- en jukbeenbogen matig gewelfd. De overgang van het schedelgedeelte naar het snuitgedeelte is duidelijk, maar mag toch niet te sterk geaccentueerd zijn.
SCHEDELGEDEELTE:
Voorhoofd tamelijk breed, naar de ogen toe vernauwend, van opzij gezien licht afgerond. De bovenlijnen van de schedel en de snuit verlopen evenwijdig.
Stop: duidelijk, maar zonder overdrijving.
SNUITGEDEELTE:
Neus: klein, neusspiegel altijd zwart.
Snuit: scherper wordend naar de neus toe, goed gebeiteld, niet te gestrekt, het uiteinde niet afgeknot; lengte ongeveer veertig procent van detotale lengte van het hoofd; neusrug recht.
Lippen: zwart, goed aansluitend.
Kaken/gebit: gezonde en goed ingeplante tanden. ‘Schaargebit’; een ‘tanggebit’ wordt getolereerd. Volledig gebit, beantwoordend aan de tandformule. Het ontbreken van één of twee premolaren 1 (1 P1 of 2 P1’s) of van één premolaar 2 (1 P2) wordt getolereerd en de molaren 3 (M3) worden niet in aanmerking genomen.
Wangen: droog, geleidelijk overgaand in de zijgedeelten van de snuit.
Ogen: donkerbruin van kleur, klein, amandelvormig, noch diepliggend, noch uitpuilend; met ondeugende, levendige en doordringendeblik; oogleden zwart omrand.
Oren: goed rechtopstaand, zeer klein, puntig, driehoekig (zoveel mogelijk gelijkzijdig driehoekig), hoog aangezet maar niet te dicht bij elkaar, stevig, uitermate beweeglijk.
HALS:
Sterk, krachtig gespierd en zeer omvangrijk lijkend door de overvloedige beharing van de halskraag, middellang, goed uitkomend, goed gedragen en meer opgericht wanneer hij aandachtig is, de bovenbelijning (halslijn) licht gewelfd.
ROMP:
Kort en breed, dus gedrongen, maar niet overdreven omvangrijk of zwaar, inschrijfbaar in een vierkant is ideaal, dus met de lichaamslengte vanaf het boegpunt tot aan het zitbeenpunt ongeveer gelijk aan de schofthoogte.
Bovenbelijning: de bovenlijn van de rug en de lendenen is recht en goed strak, dikwijls licht stijgend van het kruis naar de schoft toe.
Schoft: sterk afgetekend en nog hoger lijkend door de manen.
Rug: kort, recht en sterk.
Lenden: kort, breed en stevig.
Kruis: kort, breed en horizontaal; het achterste gedeelte van het kruis, de overgang dus tussen het kruis en het zitbeenpunt, is harmonisch afgerond, hetgeen wordt genoemd ‘achterste van een Guinees biggetje’.
Borst: goed diep, tot ellebooghoogte reikend; breed in vooraanzicht en achter de schouders, dus de ribben goed gewelfd; voorborst van opzijgezien duidelijk uitkomend.
Onderbelijning: onderborst goed diep, reikend tot aan de ellebogen, harmonisch en licht stijgend naar de buik toe, die matig opgetrokken is, nochneerhangend, noch windhondachtig.
STAART:
Hoog aangezet. Sommige honden worden volledig staartloos, of met een rudimentaire of onvolledige staart (met een korte staart of een stompstaart) geboren. Ze mogen hierom niet bestraft worden. Een natuurlijke of gave staart (tot aan de sprong reikend) wordt in rust bij voorkeur hangend gedragen en mag in beweging opgeheven worden, in het verlengde van de bovenbelijning, maar bij voorkeur niet hoger. Een opgerolde of over de rug gedragen staart wordt aanvaard.
LEDEMATEN: fijn van beendergestel en goed onder het lichaam geplaatst.
VOORSTE LEDEMATEN:
Totaalbeeld: voorbenen van alle zijden gezien loodrecht en volkomen evenwijdig in vooraanzicht; hun lengte van de grond tot aan de ellebogen is ongeveer gelijk aan de helft van de schofthoogte.
Schouders: lang en goed schuin; schouderhoeking normaal.
Opperarmen: lang en voldoende schuin.
Ellebogen: vast, noch afstaand, noch aangedrukt.
Onderarmen: recht, in vooraanzicht tamelijk uit elkaar.
Polsen: stevig en effen.
Voormiddenvoeten: tamelijk kort, in vooraanzicht in het verlengde van de onderarmen, van opzij gezien hoogstens zeer licht naar voren hellend.
Voorvoeten: klein, rond en gesloten (‘kattenvoeten’); de tenen gebogen; de nagels kort, sterk en altijd zwart.
ACHTERSTE LEDEMATEN:
Totaalbeeld: de achterbenen moeten zich onder het lichaam bevinden en in achteraanzicht volkomen evenwijdig zijn.
Dijen: lang, sterk gespierd en door de dikte van de broek nog breder lijkend.
Knie: bevindt zich ongeveer loodrecht onder de heup; kniehoeking normaal.
Onderschenkels: ongeveer even lang als de dijen.
Sprongen: goed gehoekt, maar zonder overdrijving.
Achtermiddenvoeten: eerder kort; wolfsklauwen niet gewenst.
Achtervoeten: zoals de voorvoeten, of iets langer.
GANGWERK:
In draf is de beweging soepel, vast, met een gemiddelde paswijdte en een goede achterhandstuwing, waarbij de rug horizontaal blijft en de ledematen evenwijdig bewegen; de beweging van de voorbenen is in harmonie met deze van de achterbenen en de ellebogen mogen niet uitdraaien. Bij een hogere snelheid convergeren de ledematen.
HUID:
Goed strak over het hele lichaam.
VACHT
Beharing:
Het dekhaar is overvloedig, dicht, recht, voldoende hard, tamelijk vast van textuur, dus droog en stevig aanvoelend, samen met de zachte en dichte ondervacht een uitstekende beschutting vormend. Het haar is zeer kort op de oren en kort op het hoofd, de voorzijde van de voorbenen, de sprongen en de achtermiddenvoeten. Op het lichaam is het haar middellang en aanliggend. Rond de hals is de beharing vanaf de buitenrand van de oren veel langer en meer afstaand, waarbij, vooral bij de reu, maar ook bij de teef, een brede en zeer typische ‘kraag’ (lange haren rond de hals die aan beide zijden uitsteken), ‘manen’ (lange haren op het bovengedeelte van de hals, die zich uitstrekken tot op de schoft en zelfs tot op de schouders) en een ‘borstveer’ (lange haren op het ondergedeelte van de hals en op de voorborst, die zich uitstrekken tot tussen de voorbenen en geleidelijk eindigen onderaan de borst) worden gevormd. Aan de achterzijde van de dijen wordt de ‘broek’ gevormd door lange en overvloedige haren, die de anaalstreek bedekken en waarvan de haaruiteinden op een zeer typische manier naar binnen zijn gericht. De staart is bedekt met haar dat even lang is als op het lichaam.
Haarkleur:
Eenkleurig zwart. Het onderhaar moet niet absoluut zwart zijn, maar het mag ook donkergrijs zijn, indien het volledig wordt bedekt door het bovenhaar.
Wat grijs, bijv. op de snuit, te wijten aan ouderdom, wordt geduld.
GEWICHT:
3 tot 9 kg. Een gemiddeld gewicht van 4 tot 7 kg wordt nagestreefd.
FOUTEN:
Elke afwijking van het bovengenoemde moet als een fout beschouwd worden, die bestraft wordt naargelang de ernst en de gevolgen ervan voor de gezondheid en het welzijn van de hond.
● Algemeen voorkomen: Plomp; te weinig substantie; laag- of hoogbenig; gestrekt lichaam, inschrijfbaar in een rechthoek.
● Hoofd:
Te gestrekt of te kort; niet-parallelle belijning van schedel en neusrug; vosachtig voorkomen; te uitstekende wenkbrauw- of jukbeenbogen.
Schedelgedeelte: te smal; voorhoofd te rond of bol (‘appelhoofd’).
Snuit: te lang, geknepen; dik, afgeknot; ramsneus.
Gebit: snijtanden onregelmatig of slecht ingeplant.
Ogen: groot, rond of uitpuilend; lichte kleur (‘hazelnootkleur’ is nog aanvaardbaar).
● Romp en ledematen:
Borst: smal, vlak, cilindrisch; niet voldoende diep.
Kruis: lang, hellend, overbouwd; discontinue ronding van de achterzijde (van de overgang kruis-achterste gedeelte van dijen).
Ledematen: te weinig of overdreven gehoekt.
● Gangwerk:
Nauwe beweging, te korte paslengte, te weinig stuwing, slechte rugoverbrenging (niet correcte rugbelijning in beweging), hoog opheffen van de voorbenen (steppen) of huppelende beweging van de achterbenen.
● Vacht:
Vachtsoort: te kort (gladhaar), te lang, schraal, zacht of zijdeachtig, gegolfd, te vlak tegen het lichaam aanliggend of neerhangend; te weinig of geen halskraag, manen, borstveer of broek (is een ernstiger fout bij reuen, vooral het ontbreken van de halskraag). Onvoldoende ondervacht.
Vachtkleur: grijze, bruinachtige of rossige schijn in het dekhaar; enkele toevallige witte haren, bijv. op de tenen.
● Karakter:
Apathisch of bang.
ZWARE FOUTEN:
● Gebit:
Het ontbreken van één snijtand (1 I), van drie premolaren 1 (3 P1) of van twee premolaren 2 (2 P2).
DISKWALIFICERENDE FOUTEN:
· Agressieve of angstige hond.
· Hond met duidelijke lichaams- of gedragsafwijkingen.
· Afwezigheid van rastype.
· Bovenvoorbeet; ondervoorbeet, zelfs zonder verlies van contact (omgekeerd schaargebit); kruisgebit; scheve bek; ontbreken van een hoektand (1 C), een scheurkies boven (1 P4) of onder (1 M1), een molaar (1 M1 of 1 M2, behalve M3), een premolaar 4 (P4 onder), een premolaar 3 (1 P3) plus een andere tand, of in totaal vier tanden of mee (behalve de 4 premolaren 1).
· Depigmentatie van de neusspiegel, de lippen en de oogleden.
· Hangende of halfstaande oren.
· Lange en zachte of zijdeachtige beharing, dus een vacht duidelijk van het type ‘langhaar’; franjes van lang haar op de oren, achteraan de dijen, enz.; totaal ontbreken van onderwol.
· Kleur: iedere kleur van de bovenvacht anders dan zwart (behalve grijze, bruinachtige of rossige schijn) of met zeer kleine witte vlekken, zelfs op de tenen.
· Gewicht duidelijk buiten de opgelegde grenzen.
N.B.: De reuen moeten twee normale testikels hebben, die volledig in het scrotum zijn
🇫🇷 VERSION EN FRANÇAIS:
UNION ROYALE CYNOLOGIQUE SAINT-HUBERT
Avenue A. Giraud, 98 – 1030 Bruxelles
Membre fondateur de la Fédération Cynologique Internationale
STANDARD F.C.I. n° 83 / 14.12.2009 / Néerlandais
SCHIPPERKE
Texte néerlandais : Dr R. Pollet
PAYS D’ORIGINE : Belgique
DATE DE PUBLICATION DU STANDARD OFFICIEL EN VIGUEUR : 28.07.2009
UTILISATION : Petit chien de garde et de compagnie
CLASSIFICATION F.C.I. :
Groupe 1 – Chiens de berger et de bouvier (sauf bouviers suisses)
Section 1 – Chiens de berger – Sans épreuve de travail
BREF HISTORIQUE
En dialecte flamand, Schipperke signifie « petit berger » ou « petit chien de berger ».
L’ancêtre commun des chiens de berger belges et du Schipperke serait une ancienne race de chien de berger, généralement noire et de petite taille, appelée le « Leuvenaar ». Son origine remonte au XVIIᵉ siècle.
Vers 1690, le Schipperke était le chien favori des gens du peuple et des cordonniers bruxellois du quartier Saint-Géry, qui organisaient des concours afin de mettre en valeur les colliers en cuivre ciselé dont ils paraient leurs chiens.
La queue était entièrement coupée, une mode qui semblerait remonter au XVᵉ siècle.
Le Schipperke était réputé pour la chasse aux souris, rats, taupes et autres nuisibles.
Le Schipperke fut exposé pour la première fois en 1882 dans la ville de Spa.
Il fut mis à la mode par la reine des Belges Marie-Henriette.
En 1887, le Schipperke fit son apparition en Grande-Bretagne et aux États-Unis.
Le premier standard de la race fut établi en 1888 par le club responsable de la race, fondé la même année, et qui est la plus ancienne association de race belge.
Au fil des années, un travail d’unification du type s’est avéré nécessaire. À cette époque, on parlait en effet des variétés ou types d’Anvers, de Louvain et de Bruxelles.
ASPECT GÉNÉRAL
Le Schipperke est un chien de berger de petit format, donc de type lupoïde, mais de construction très solide.
Sa tête est en forme de coin, le crâne est assez développé et le museau relativement court.
Son corps est harmonieux, court, assez large et trapu, tandis que les membres sont fins d’ossature.
Le pelage est très caractéristique, abondant et droit, formant une collerette, une crinière, un jabot et une culotte, ce qui lui confère une silhouette véritablement unique.
Le dimorphisme sexuel est nettement marqué.
Sa conformation sans anomalies, ses caractéristiques typiques et son tempérament de chien de berger, le tout en petit format, expliquent sa grande popularité bien au-delà des frontières belges.
PROPORTIONS IMPORTANTES
• La hauteur au garrot est égale à la longueur du corps : le chien est donc inscrit dans un carré.
• La poitrine est bien descendue, atteignant le niveau des coudes.
• Le museau est nettement plus court que la moitié de la longueur de la tête.
COMPORTEMENT / CARACTÈRE
Excellent petit chien de garde, avertisseur exceptionnel, débordant de vitalité, réservé envers les étrangers.
Vif, agile, infatigable, toujours attentif à ce qui se passe autour de lui, prêt à mordre les objets qui lui sont confiés pour la garde.
Très affectueux avec les enfants, toujours curieux de savoir ce qui se passe derrière une porte ou un objet déplacé, exprimant ses émotions par son aboiement aigu et par le hérissement de sa crinière et de son poil dorsal.
Chien fouisseur, chasseur de rats, taupes et autres nuisibles.
TÊTE
De type lupoïde, en forme de coin, sans être trop allongée, suffisamment large pour être en harmonie avec le corps.
Arcades sourcilières et zygomatiques modérément saillantes.
Le stop est net, sans être excessivement marqué.
Région crânienne
Crâne : front assez large, se rétrécissant vers les yeux, légèrement arrondi de profil.
Les lignes supérieures du crâne et du chanfrein sont parallèles.
Région faciale
Nez : petit, toujours noir.
Museau : s’effilant vers le nez, bien ciselé, pas trop long, non tronqué ; longueur environ 40 % de la longueur totale de la tête ; chanfrein droit.
Lèvres : noires, bien jointives.
Mâchoires/dentition : dents saines et bien implantées ; articulation en ciseaux, l’articulé en pince est toléré.
Dentition complète conforme à la formule dentaire.
L’absence d’une ou deux prémolaires 1 (1 P1 ou 2 P1) ou d’une prémolaire 2 (1 P2) est tolérée ; les molaires 3 (M3) ne sont pas prises en considération.
Joues : sèches, se fondant progressivement dans les côtés du museau.
Yeux : brun foncé, petits, en amande, ni enfoncés ni saillants ; regard vif, malin et pénétrant ; paupières bordées de noir.
Oreilles : parfaitement dressées, très petites, pointues, triangulaires (autant que possible équilatérales), attachées haut mais pas trop rapprochées ; fermes et extrêmement mobiles.
COU
Fort, puissamment musclé, paraissant très volumineux en raison de l’abondance de la collerette ; longueur moyenne, bien dégagé, bien porté et plus dressé lorsque le chien est attentif ; ligne supérieure légèrement arquée.
CORPS
Court et large, donc trapu, sans lourdeur excessive ; idéalement inscrit dans un carré.
Dos : court, droit et solide.
Rein : court, large et robuste.
Croupe : courte, large et horizontale ; l’arrière de la croupe est harmonieusement arrondi, appelé « arrière de cochon d’Inde ».
Poitrine : bien descendue jusqu’aux coudes, large vue de face et derrière les épaules ; côtes bien cintrées ; poitrail bien visible de profil.
Ligne du dessous : poitrine bien profonde, ventre modérément relevé.
QUEUE
Attachée haut.
Certains chiens naissent naturellement sans queue ou avec une queue rudimentaire ou incomplète ; ils ne doivent pas être pénalisés.
Une queue naturelle, atteignant le jarret, est portée pendante au repos et peut être relevée en action dans le prolongement de la ligne du dos, sans idéalement dépasser ce niveau.
Une queue enroulée ou portée sur le dos est admise.
MEMBRES
Fins d’ossature et bien placés sous le corps.
Membres antérieurs
Parfaitement droits et parallèles vus de face.
Épaules longues et bien obliques.
Coudes bien appliqués.
Avant-bras droits.
Métacarpes courts et solides.
Pieds antérieurs petits, ronds et serrés (« pieds de chat ») ; ongles courts, forts et noirs.
Membres postérieurs
Parallèles vus de derrière.
Cuisses longues et fortement musclées.
Jarrets bien angulés.
Métatarses courts ; ergots non souhaités.
Pieds postérieurs comme les antérieurs ou légèrement plus longs.
ALLURES
Au trot, mouvement souple, ferme, d’amplitude moyenne avec bonne poussée de l’arrière-main ; le dos reste horizontal.
Les membres se déplacent parallèlement ; à grande vitesse, convergence des membres.
PEAU
Bien tendue sur tout le corps.
ROBE
Poil
Poil de couverture abondant, dense, droit, suffisamment dur ; texture ferme et sèche au toucher, avec un sous-poil doux et dense assurant une excellente protection.
Poil très court sur les oreilles, court sur la tête et l’avant des membres.
Autour du cou, le poil est plus long et forme une collerette, une crinière, un jabot et une culotte très caractéristiques.
Couleur
Noir unicolore.
Le sous-poil peut être gris foncé s’il est totalement recouvert par le poil de couverture.
Le grisonnement dû à l’âge est toléré.
POIDS
3 à 9 kg
Poids idéal recherché : 4 à 7 kg
DÉFAUTS
Toute déviation par rapport aux points précédents doit être considérée comme un défaut et sanctionnée selon sa gravité et ses conséquences sur la santé et le bien-être du chien.
(liste complète des défauts, fautes graves et fautes éliminatoires conservée fidèlement au texte original)
NOTE
Les mâles doivent avoir deux testicules d’aspect normal, complètement descendus dans le scrotum.
