De oren van het Schipperke – Les oreilles du Schipperke

NB: Le texte en français suit le texte néerlandais

🇳🇱 De oren van het Schipperke

Dr. R. Pollet

Het oor is het orgaan van het gehoor dat bestaat uit drie delen: het uitwendig oor (de oorschelp en de gehoorgang), het middenoor en het inwendig oor (of binnenoor). Wat de kynoloog interesseert is het uitwendig oor. Het oor dat in de rasstandaarden wordt beschreven is het uitwendig oor, vooral dan de oorschelp of het zichtbare gedeelte van het oor dat bestaat uit kraakbeen. De bepalingen in de standaarden hebben betrekking op de aanzet of inplanting van de oren, de oordracht (stand van de oren), de vorm en de afmetingen van de oren (zie “Modelstandaard van de F.C.I.”). Al deze aspecten vinden we in de rasstandaard van het Schipperke terug. De beschrijving is als volgt:

Oren: goed rechtopstaand, zeer klein, puntig, driehoekig (zoveel mogelijk gelijkzijdig driehoekig), hoog aangezet maar niet te dicht bij elkaar, stevig, uitermate beweeglijk.

De ooraanzet is per definitie de plaats waar de oren zijn aangehecht De oren kunnen hoog of laag aangezet zijn en ze kunnen dicht bij elkaar staan of uit elkaar. Bij het Schipperke moeten de oren dus hoog ingeplant zijn en niet al te dicht bij elkaar staan. Hoog ingeplante oren bevinden zich goed bovenaan de schedel. Dit wil zeggen dat in vooraanzicht de oren goed op het bovenste gedeelte van het hoofd (het schedelgedeelte) zijn ingeplant en dat dus de inplanting van het buitenste gedeelte van de oorbasis (de buitenste rand van de aanhechting) zich niet bevindt ter hoogte van de ogen of lager dan de ogen. Dat de oren niet te dicht bij elkaar mogen staan is in overeenstemming met een schedelgedeelte dat ‘tamelijk breed’ is en met oren die klein zijn.

De oordracht wordt bepaald door de richting van de (lengte)as van de oorschelpen. De oren kunnen dus (rechtop)staand zijn, zoals bij het Schipperke, of ook nog halfstaand, hangend, enz.

Wat betreft de oorvormen, deze zijn zeer verscheiden: de oren kunnen kort of klein zijn, lang, driehoekig, in een scherpe punt toelopend (puntig) of (af)gerond aan de punten, enz. De standaard schrijft voor dat bij het Schipperke het oor puntig is en driehoekig. Wat de bepaling ‘driehoekig’ betreft moeten we weten dat de in de standaarden gebruikte ‘geometrische’ termen niet al te strikt moeten geïnterpreteerd worden. In kynologisch taal betekent ‘driehoekig’ eigenlijk ‘V-vormig’. De vorm van een driehoekig oor in de kynologische taal is dus eerder ‘gelijkbenig’ dan een ‘driehoekig’. In de rasstandaard lezen we echter ‘zoveel mogelijk gelijkzijdig’. Het is dus duidelijk dat beschrijvingen in de keurrapporten zoals ‘driehoekig oor’ ons heel weinig of zelfs helemaal niets leren, want er bestaan een ontelbaar aantal driehoeksvormen. De betekenis in de keurrapporten van de term ‘driehoekig’ wat de oren betreft zou dus kunnen zijn ‘uiteinde niet afgerond maar goed puntig’ of ook nog ‘in de vorm van een driehoek met zuivere randen’ of ‘duidelijk driehoekig’, enz. Driehoekig kan ook zowel de betekenis hebben van ‘gelijkzijdig’ als ‘gelijkbenig’. Een gelijkzijdige driehoeksvorm is in ieder geval aanvaardbaar voor het Schipperke, mits een niet al te brede oorbasis, en een gelijkbenige driehoeksvorm kunnen we ook aanvaarden, indien het oor niet te lang is. De oren bij het Schipperke moeten inderdaad zeer klein zijn, zowel wat betreft de breedte als de lengte.

De afmetingen (de grootte) van het oor werden reeds vermeld, want,volgens de standaard, moeten de oren ‘zeer klein’ zijn. Te grote oren zijn ongewenst. We zijn er absoluut zeker van dat bij het Schipperke de oren zeer kenmerkend zijn voor het ras en in verhouding kleiner zijn dan bij de andere herderhonden met rechtopstaande oren. Ze zijn zelfs, uiteraard ‘in verhouding’, kleiner dan bij Belgische herders en in ieder geval kleiner dan bij Duitse herders. De misschien in het verleden en ook nu nog altijd zelfs meest voorkomende fout bij het Schipperke, zijn de te grote oren. Het is mogelijk, ofwel dat de fokkers en/of de keurmeesters niet beseffen dat de oren zeer klein moeten zijn, ofwel dat kleine oortjes bij het Schipperke een zeer moeilijk te bereiken of een irrealistisch fokdoel vertegenwoordigen. We kunnen het ook anders stellen. We denken eerder dat Schipperkes fokken met zeer kleine oortjes tegenwoordig zeer moeilijk is, eenvoudigweg omdat bloedlijnen van Schipperkes met dit zeer typische raskenmerk blijkbaar niet meer bestaan.

Andere kenmerken van de oren van het Schipperke werden misschien niet voldoende uitdrukkelijk in de rasstandaard vermeld. Vooreerst dat de oren ‘stevig’ moeten zijn. Het betreft hier dus vooral de ‘structuur’ (of de ‘textuur’) van de oorschelp. Andere adjectieven, min of meer met dezelfde betekenis van ‘stevig’, zijn ‘strak’, ‘stijf’ of ‘vast’. Stevige oren zijn oren die (qua textuur) tamelijk dik zijn en weinig plooibaar. Stevige oren zijn in ieder geval niet dun (fijn van textuur) en het zijn geen fladderoren.(oren die rechtopstaand zijn, maar ook dun zijn en stevigheid/stijfheid missen). Welpen van rassen zoals het Schipperke, met staande en stevige oren, spitsen de oren reeds wanneer ze nog zeer jong zijn (enkele weken). De rasstandaard van het Schipperke vermeldt ook nog dat de oren uitermate beweeglijk zijn. De beweeglijkheid of het kunnen richten (in een bepaalde richting plaatsen) van de oren bij rassen met rechtopstaande oren, is vanzelfsprekend een kenmerk dat samengaat met een karakter dat alert is, levendig, zeer opmerkzaam en waaks.

BESLUIT

We hebben gepoogd om aan de fokkers en de keurmeesters uit te leggen dat, omdat de standaard voorschrijft “oren zeer klein”, het klein-zijn van de oren bij het Schipperke als een essentieel raskenmerk mag beschouwd worden. Het is nochtans spijtig dat in werkelijkheid niet duidelijk te zien is dat het een wezenlijk kenmerk betreft van het ras, maar wellicht ook een moeilijk te verwezenlijken fokdoel. Te grote oren zijn werkelijk atypisch. We denken dan ook dat de fokkers het aspect ‘grootte van de oren’ niet mogen negeren. Het betreft een fokdoel dat moeilijk te verwezenlijken is, maar toch moet er nog gewerkt worden aan dit aspect van het uiterlijk van het ras, met name de grootte van de oren, wat uitdrukkelijk gewenst wordt door de FCI-standaard.

Literatuur     “Kynologisch Lexicon”, Dr. R. Pollet, uitgeverij CirCum Publishing, 2002, 166 p.

 

🇫🇷 Les oreilles du Schipperke

Dr R. Pollet

L’oreille est l’organe de l’audition et se compose de trois parties : l’oreille externe (le pavillon et le conduit auditif), l’oreille moyenne et l’oreille interne (ou oreille interne). Ce qui intéresse le cynologue est l’oreille externe. L’oreille décrite dans les standards de race est l’oreille externe, et plus particulièrement le pavillon, c’est-à-dire la partie visible de l’oreille, constituée de cartilage.

Les prescriptions des standards concernent l’implantation des oreilles, leur port (position), leur forme et leurs dimensions (voir le « standard modèle » de la FCI). Tous ces aspects figurent dans le standard de race du Schipperke. La description est la suivante :

Oreilles : bien dressées, très petites, pointues, triangulaires (autant que possible en triangle équilatéral), attachées haut mais pas trop rapprochées, fermes, extrêmement mobiles.

L’implantation de l’oreille est, par définition, l’endroit où les oreilles sont attachées. Les oreilles peuvent être attachées haut ou bas, et être rapprochées ou espacées. Chez le Schipperke, les oreilles doivent donc être attachées haut et ne pas être trop rapprochées.

Des oreilles bien attachées haut se situent nettement sur la partie supérieure du crâne. Cela signifie que, vues de face, les oreilles sont implantées sur la partie supérieure de la tête (zone crânienne) et que l’implantation de la partie externe de la base de l’oreille (le bord externe de l’attache) ne se situe pas au niveau des yeux ni en dessous de ceux-ci.

Le fait que les oreilles ne doivent pas être trop rapprochées est cohérent avec un crâne « assez large » et avec des oreilles de petite taille.

Le port des oreilles est déterminé par l’orientation de l’axe longitudinal des pavillons. Les oreilles peuvent donc être dressées (comme chez le Schipperke), semi-dressées, tombantes, etc.

Les formes d’oreilles sont très variées : courtes ou petites, longues, triangulaires, se terminant en pointe aiguë ou arrondie, etc. Le standard prescrit que, chez le Schipperke, l’oreille soit pointue et triangulaire.

En ce qui concerne le terme « triangulaire », il convient de savoir que les termes géométriques utilisés dans les standards ne doivent pas être interprétés de manière trop stricte. En langage cynologique, « triangulaire » signifie en réalité « en forme de V ». La forme de l’oreille dite triangulaire est donc plutôt isocèle qu’équilatérale. Toutefois, le standard de la race mentionne « autant que possible équilatéral ».

Il est donc clair que des descriptions telles que « oreille triangulaire » dans les rapports de jugement apportent peu, voire aucune information, car il existe une infinité de formes triangulaires. Dans les rapports, le terme « triangulaire » appliqué aux oreilles peut signifier : « extrémité non arrondie mais bien pointue », « forme triangulaire aux bords nets » ou « nettement triangulaire ».

Une forme triangulaire équilatérale est acceptable chez le Schipperke à condition que la base de l’oreille ne soit pas trop large. Une forme triangulaire isocèle est également acceptable si l’oreille n’est pas trop longue. Les oreilles du Schipperke doivent en effet être très petites, tant en largeur qu’en longueur.

Les dimensions (la taille) des oreilles ont déjà été évoquées, puisque, selon le standard, les oreilles doivent être « très petites ». Les oreilles trop grandes sont indésirables.

Nous sommes absolument convaincus que, chez le Schipperke, les oreilles constituent un caractère racial très typique et qu’elles sont proportionnellement plus petites que chez les autres chiens de berger à oreilles dressées. Elles sont même, toutes proportions gardées, plus petites que celles des Bergers belges et, à plus forte raison, que celles du Berger allemand.

La faute la plus fréquente chez le Schipperke, autrefois comme encore aujourd’hui, est celle des oreilles trop grandes. Il est possible que les éleveurs et/ou les juges ne réalisent pas pleinement que les oreilles doivent être très petites, ou bien que de très petites oreilles représentent un objectif d’élevage difficile, voire irréaliste.

On peut aussi voir les choses autrement : il nous semble aujourd’hui très difficile d’élever des Schipperkes aux oreilles très petites, simplement parce que les lignées possédant ce caractère racial très typique semblent avoir disparu.

D’autres caractéristiques des oreilles du Schipperke ne sont peut-être pas exprimées de manière suffisamment explicite dans le standard de race. Tout d’abord, les oreilles doivent être fermement portées. Il s’agit ici principalement de la structure ou de la texture du pavillon. D’autres adjectifs proches du terme « ferme » sont « tendu », « rigide » ou « solide ».

Des oreilles fermes sont des oreilles dont le cartilage est relativement épais et peu souple. Elles ne sont en aucun cas fines ni flasques. Ce ne sont pas des oreilles « flottantes » (dressées mais fines et manquant de rigidité).

Les chiots de races comme le Schipperke, qui ont des oreilles dressées et fermes, redressent leurs oreilles très tôt, parfois dès l’âge de quelques semaines.

Le standard de race du Schipperke précise également que les oreilles sont extrêmement mobiles. La mobilité, ou la capacité d’orienter les oreilles, est naturellement associée à un caractère alerte, vif, très attentif et vigilant chez les races à oreilles dressées.

Conclusion

Nous avons tenté d’expliquer aux éleveurs et aux juges que, puisque le standard prescrit des « oreilles très petites », la petite taille des oreilles doit être considérée comme un caractère racial essentiel chez le Schipperke.

Il est néanmoins regrettable que, dans la pratique, ce caractère ne soit pas clairement perçu comme fondamental, sans doute parce qu’il s’agit d’un objectif d’élevage difficile à atteindre. Des oreilles trop grandes sont véritablement atypiques.

Nous estimons donc que les éleveurs ne doivent pas négliger l’aspect « taille des oreilles ». Il s’agit certes d’un objectif d’élevage difficile à réaliser, mais il convient néanmoins de continuer à travailler sur cet élément de l’apparence de la race, à savoir la taille des oreilles, explicitement souhaitée par le standard de la FCI.

Référence

« Kynologisch Lexicon », Dr R. Pollet, CirCum Publishing, 2002, 166 pages.