Het verbod op staartcouperen – L’interdiction de la caudectomie

 NB: Le texte en français suit le texte en néerlandais

🇳🇱 Het Schipperke en het verbod op staartcouperen

Dr. R. Pollet

Verbod op staartcouperen: een keerpunt in de geschiedenis van het Schipperke?

    Het verbod op caudectomie of staartcouperen is in België van kracht geworden vanaf 1 januari 2006. Vanaf deze datum was het dus verboden om honden met een gecoupeerde staart tentoon te stellen. Door dit verbod moeten we de rasstandaard van het Schipperke eens nader bekijken en nagaan wat de huidige inzichten zijn wat betreft de staartlengte en de staartdracht bij honden in het algemeen en ook bij Schipperkes.

Sedert 1 januari 2006 weten we nu dus met zekerheid hoe de honden geboren zijn: ofwel volledig staartloos, ofwel met een stompje, een rudimentaire, korte, halflange of bijna volledige staart, ofwel met een lange staart (een natuurlijke of gave of volledige staart).

We moeten ook nog weten of staartloosheid van bij de geboorte (anourie) of een korte staart van bij de geboorte niet gepaard gaan met anatomische fouten, want in dit geval zou het moeten afgeraden worden om met dergelijke honden te fokken. Hoewel al heel wat gekend is wat dit betreft, zijn onze genetische inzichten en is de wijze waarop erfelijkheidsfactoren de staartlengte en de staartdracht bepalen toch nog niet echt helemaal vastgelegd en geconsolideerd (bevestigd).

De korte en de lange staarten die we nu sinds 1 januari 2006 bij de Schipperkes te zien krijgen zijn ‘natuurlijke staarten’, dus uiteraard de niet-gecoupeerde staarten zoals ze waren van bij de geboorte. We kunnen het op een andere manier verwoorden door te zeggen dat bij de Schipperkes die niet gecoupeerd werden nu het niet gewijzigde fenotype, exterieur of uiterlijk te zien is. Dit fenotype (de waarneembare eigenschappen) is een weergave van het genoom of het genotype (het geheel van de genen of erffactoren). De staarten die we sinds het coupeerverbod nu bij de Schipperkes te zien krijgen kunnen ofwel kort of lang zijn en hoog of laag gedragen, ofwel volledig afwezig. Dit alles is het resultaat van de werking van de erffactoren die de lengte en de dracht van de staarten bepalen, en niet meer het resultaat van om esthetische redenen uitgevoerde verminkingen, zoals inkorten of wegnemen (ablatie) van de staart. Vroeger wist men inderdaad eigenlijk niet, tenzij door een genetische test, of de staart van een staartloze hond of van een hond met een korte staart al of niet gecoupeerd was geweest na de geboorte.

    Het coupeerverbod van de staarten vanaf  01-01-2006 heeft heel wat veranderd. Dit verbod heeft ook als gevolg gehad dat heel wat Schipperke-liefhebbers hebben ‘afgehaakt’ of minstens overwogen hebben om geen interesse meer te tonen voor hun ras.

We zijn het altijd gewoon geweest om Schipperkes te zien met volledig geamputeerde staarten, waardoor ze ten opzichte van de andere rassen een werkelijk uniek uiterlijk vertoonden. Een staartamputatie is nochtans een verminking en dus een aantasting van de lichamelijke integriteit. We zijn er dan ook van overtuigd dat het verbod op staartcouperen een stap voorwaarts betekent wat het dierenwelzijn betreft en dat de maatregel ook gunstig zal zijn voor her ras. Natuurlijk zullen de liefhebbers van het Schipperke moeten wennen aan het nieuwe uiterlijk ‘met staart’ van hun geliefkoosd ras. We hebben zelfs al de indruk dat dit wennen, uiteraard vooral bij de nieuwe liefhebbers, helemaal geen probleem stelt. Misschien zullen we binnenkort de wondermooie verhalen en mythes niet meer kunnen lezen over het ontstaan van het staartcouperen bij het Schipperke. Ook de vroeger gepubliceerde nauwkeurige instructies over hoe de staarten kort na de geboorte gecoupeerd moeten worden zijn uiteraard overbodig geworden.

De rasstandaard van het Schipperke

    De beschrijving van de staart in de laatste standaard van het Schipperke is uitvoerig en duidelijk. In de rasstandaarden hiervoor was deze beschrijving allerkortst: “Geen staart”. Er werd vroeger ook nooit in de standaarden een reden voor de vereiste staartloosheid vermeld.

In de laatste rasstandaard werd de staart als volgt beschreven:

STAART: hoog aangezet. Sommige honden worden volledig staartloos of met een rudimentaire of onvolledige staart (met een korte staart of een stompstaart) geboren. Ze mogen hierom niet bestraft worden. Een natuurlijke of gave staart (tot aan de sprong reikend) wordt in rust bij voorkeur hangend gedragen en mag in beweging opgeheven worden, in het verlengde van de bovenbelijning, maar bij voorkeur niet hoger. Een opgerolde of over de rug gedragen staart wordt aanvaard.

    De interpretatie van deze tekst is eenvoudig:

de staart mag van nature afwezig, kort, onvolledig of lang zijn, maar in geen geval gecoupeerd; een lange, gave of volledige staart moet bij voorkeur hangen, maar mag ook hoog of opgerold gedragen worden, tegenaan of boven de lendenen.

 

Waarom werden vroeger bij de Schipperkes de staarten gecoupeerd?

    Vroeger werden bij bepaalde rassen de staarten ingekort. Dit gebeurde om esthetische redenen of doodeenvoudig omdat de rasstandaard dit vereiste. Bij sommige jacht- of vechthonden werden de staarten gecoupeerd om verwondingen te vermijden. Bij langharige rassen kon het staartcouperen ook om hygiënische redenen gebeuren, omdat inderdaad lange staarten die met lang en dicht haar zijn bedekt gemakkelijk kunnen bevuild worden door de eigen uitwerpselen van de hond. Bij nog andere rassen was het couperen van de staart (of de oren) volledig zinloos, maar het werd toch de regel. Heel dikwijls verklaren pittoreske verhalen waarom bij bepaalde rassen de staarten werden gecoupeerd, maar het spreekt vanzelf dat al deze vertellingen, oude verhalen, mythes of legendes niet echt geloofwaardig zijn.

    Wat het Schipperke betreft en ook andere rassen zoals de Dobermann, de Rottweiler, enz., bestaat er een aannemelijke verklaring voor het staartcouperen. Volgens deze verklaring behoort het Schipperke tot een aantal rassen van honden die staartloos (anourie) of kortstaartig (brachyourie) geboren kunnen worden. Vroeger heeft men voor deze rassen (ook het Schipperke) dan maar besloten om in de standaard op te nemen dat de staarten gecoupeerd ‘móésten’ zijn bij álle honden van het betreffende ras, dus ook bij de honden die met een korte staart werden geboren, maar een staart die nog altijd te lang was volgens de standaard. Een dergelijke verplichting om bij alle honden van een bepaald ras de staarten volledig te couperen had dan blijkbaar als doel, ook bij Schipperkes, om eenheid te brengen in het rastype.

 

Waarom wordt in het algemeen het verbod op het staartcouperen op zo weinig enthousiasme onthaald?

    Het ‘beeld’ dat de liefhebbers zich van hun geliefde ras voorstellen is het silhouet of de omtreklijnen (contouren) van de hond die rastypisch moeten zijn. Wat het Schipperke betreft is dit altijd het rastypische beeld geweest van een hond met een volledig gecoupeerde staart. Natuurlijk is iedereen hieraan gewoon geworden en is een staartloos Schipperke altijd het meest authentieke rasbeeld geweest. Het blijft dan ook een probleem dat veel Schipperke-liefhebbers vinden dat gave staarten, die meestal dan ook nog hoog en daarenboven gekruld gedragen worden, het ras weinig aantrekkelijk maken.

    Men moet er zich ook rekenschap van geven wat de hoog gedragen of opgerolde staarten betreft, dat de zogenoemde ‘vrolijke’ staarten (een eufemisme voor ‘té hoog gedragen’ staarten) vooral voorkomen bij rassen die hiervoor om zo te zeggen anatomisch voorbestemd zijn. Het gaat hier dan om honden met een vierkante lichaamsbouw, met een horizontaal of weinig hellend kruis (croupe), en eigenlijk ook honden met een uitbundig temperament. Er wordt dan heel dikwijls beweerd dat het door deze anatomische voorbestemming niet realistisch is om te wensen dat de staarten naar beneden zouden hangen bij rassen die deze anatomische kenmerken vertonen. Er kan nochtans opgemerkt worden dat bij Belgische herders die al deze kenmerken vertonen, de staart wel degelijk hangend wordt gedragen. Toch vrezen velen dat het fokken van hangende staarten onvermijdelijk zal samengaan met voor het ras minder gewenste kenmerken. Men gaat dan van de veronderstelling uit dat een hangende staart alleen mogelijk is wanneer de staartaanzet (staartinplanting) laag is, maar dat dan ook het gevaar bestaat dat het kruis te hellend zou worden.

 

Hoe ontstaat het (fenotypisch) kenmerk ‘korte staart’ genetisch ?

    Het verschijnen van staarten die van nature (van bij de geboorte) kort zijn is het gevolg van een mutatie (een plotse verandering van het genetisch patroon). We mogen in geen geval denken dat Schipperkes staartloos of met een korte staart geboren kunnen worden omdat in het verleden zovele generaties lang de staartjes gecoupeerd werden. De genetica (erfelijkheidsleer) leert ons immers dat verworven eigenschappen niet erfelijk zijn.

    Een aannemelijke verklaring voor het vroegere staartcouperen werd hoger reeds gegeven: staartloosheid (bijv. bij het Schipperke) of een korte staart (bij heel wat werkhondenrassen, jachthonden en terriërs) werden verplicht en dus voorgeschreven in de standaarden van rassen die regelmatig pups met een onvolledige staart ter wereld brachten. Indien bij deze rassen pups geboren werden met korte staarten, die echter nog altijd te lang waren volgens de standaard, dan moesten deze staarten toch nog ingekort worden tot op een lengte zoals door de standaard vereist (bijv. zoals een stompstaart of volledig staartloos).

 

Anatomische defecten:

    Volgens bepaalde publicaties zouden staartloosheid of kortstaartigheid van bij de geboorte gepaard kunnen gaan met anatomische defecten. Dit probleem werd vooral bij de Ebtlebuchers bestudeerd en de fokkers van dit ras wordt sterk afgeraden om twee honden te paren die beide staartloos of met een korte staart zijn geboren. Er zou dus met zekerheid moeten geweten zijn of bij honden de kenmerken staartloosheid (anourie) of kortstaartigheid (brachyourie) al of niet met andere fouten kunnen samengaan.

    Interessant om weten is in ieder geval dat bij Schipperkes geen fouten werden vastgesteld die verband houden met staartloos of kortstaartig geboren worden. Niettemin raden we toch aan, indien men wil fokken met een Schipperke dat zonder staart of met een rudimentaire of korte staart werd geboren, om voor dit Schipperke een fokpartner te kiezen met een volledige staart van bij de geboorte.

 

Wijze van vererven van de kenmerken ‘lange staart’ en ‘korte staart’

    Er wordt algemeen een dominante manier van vererven verondersteld voor het kenmerk ‘’korte staart’ of ‘staartloos’ (dominante factor ‘T’) en een recessieve vererving voor het kenmerk ‘lange staart’ (recessieve factor ‘t’). Hieruit kan dus besloten worden dat het moeilijk is om het kenmerk ‘korte staart’ te verwijderen uit het genoom (het geheel van alle erffactoren).

    Er mag aangenomen worden dat de honden die homozygoot (raszuiver) zijn voor het kenmerk ‘korte staart’ (ze bezitten hetzelfde allel dubbel: ‘TT’) eigenlijk niet levensvatbaar zijn. Het betreft hier honden die van bij de geboorte volledig staartloos zijn en die zelfs geen kruiswervels zouden hebben. Voor de kynoloog betekent totale staartloosheid dat geen enkele wervel zichtbaar of voelbaar is. Nochtans zijn er op een radiografie van een hond die een volledige staartamputatie heeft ondergaan nog wervels bovenop het bekken zichtbaar. Bij de volledig staartloos geboren honden is er nog een puntig aanhangseltje voelbaar op de plaats van de staartaanzet. Het is een rudimentje dat stevigheid mist, alsof het bestaat uit minieme botdeeltjes die over elkaar heen kunnen schuiven.

    Een hond kan heterozygoot (rasonzuiver) zijn, wat betekent tegelijk de factor ‘lange staart’ en ‘korte staart’ bezitten (de allelen zijn verschillend: ‘Tt’). In dit geval kan de staartlengte door ‘onvolledige dominantie’ erg veranderlijk zijn: zeer kort, gemiddeld of lang. De variabele staartlengtes bij de geboorte kunnen ook verklaard worden omdat heel waarschijnlijk één enkel dominant gen (‘T’), samen echter met modificerende factoren, verantwoordelijk is voor de overerving van kortstaartigheid of staartloosheid. Genetisch is dit ook een ‘onvolledige dominantie’.

Genetisch zijn er dus drie mogelijkheden wat het allelenpaar betreft dat de staartlengte bepaalt (de notatie ‘T’ of ‘t’ komt van het Engels ‘tail’):

TT = korte staart (homozygoot of genetisch zuiver)

Tt = veranderlijke staartlengte (heterozygoot of genetisch onzuiver)

tt = lange staart (homozygoot of genetisch zuiver)

    Van de zes volgende kruisingen (combinaties van ouderdieren) kunnen we statistisch in percentages de volgende nakomelingen in de nesten verwachten:

TT x TT à 100 % TT

TT x Tt à  50 % TT + 50 % Tt

Tt x Tt à 25 % TT + 50 % Tt + 25 % tt

tt x tt à 100 % tt

tt x Tt à 50 % tt + 50 % Tt

tt x TT à 100 % Tt

 

Staartdracht:

    Sedert het verbod op het staartcouperen ziet men bij het Schipperke en veel andere rassen

dat de staarten heel dikwijls over de rug gekruld zijn. Natuurlijk wist men vroeger bij de rassen met gecoupeerde staarten niet hoe de staartdracht zou geweest zijn indien de staarten niet gecoupeerd waren geweest.

Wat de genetische interpretatie betreft weet men uit kruisingen uitgevoerd tussen honden met hangende staarten en honden met over de rug gekrulde staarten, dat uit dergelijke combinaties alleen honden met opgekrulde staarten worden geboren. Hieruit blijkt dus dat het kenmerk ‘opgerolde staart’ dominant is over het kenmerk (de factor) ‘hangende staart’.

 

Besluit:

    Het verbod op het staartcouperen of caudectomie laat ons nu toe om te zien en te weten of een hond drager is van de erffactoren ‘onvolledige staart’ of ‘opgerolde staart’, want dit zijn twee dominante factoren die dus fenotypisch zichtbaar zijn. Het fenotype is het geheel van de waarneembare kenmerken van de hond.

De dominante kenmerken maskeren (verbergen) de recessieve kenmerken.  Indien een dominante factor (bijv. ‘T’) onzuiver (heterozygoot) aanwezig is, komt het recessieve allel  (‘t’) ofwel gedeeltelijk (onvolledige dominantie) ofwel niet tot uiting (volledige dominantie).

 

WAT DE FOKKERS MOETEN WETEN – AANBEVELINGEN

De fokkers zouden moeten rekening houden met volgende, wetenschappelijk al dan niet geconsolideerde (bevestigde) en tamelijk algemeen aanvaarde inzichten op gebied van genetica en van fokken:

  • Uit twee ouderdieren met lange staart worden utsluitend pups met lange staart geboren, want ze bezitten enkel het recessief gen ‘lange staart’ en ze zijn dus fokzuiver (homozygoot) voor dit kenmerk of gen ( tt x tt à 100 % tt).
  • Pups met een onvolledige staart kunnen in een nest voorkomen, indien één van

de ouderdieren staartloos of kortstaartig werd geboren (tt x Tt à 50 % tt + 50 % Tt).

  • Het kenmerk ‘korte staart’ vererft dominant. Het is dus moeilijk om dit kenmerk uit de

fokkerij te verwijderen, want kortstaartigen dragen normaal ook het kenmerk ‘lange

staart’ (‘Tt’). Zuivere’ kortstaartigen’ of ‘staartlozen’ (‘TT’) zijn niet levensvatbaar.

  • Lange staarten (‘tt’) kunnen ook vererfd worden door twee kortstaartigen (vader- én moederdier). Deze ouders zijn immers normaal heterozygoot en bezitten dus ook het gen voor lange staarten (Tt x Tt à 25 % TT + 50 % Tt + 25 % tt).
  • Het kenmerk staartloosheid of korte staart zou niet volledig dominant vererven. Deze factor (‘T’) die onvolledig dominant is ten opzichte van de recessieve factor (‘t’) is dan verantwoordelijk voor zeer wisselende staartlengtes (‘Tt’ dieren), wat genetische verklaringen natuurlijk bemoeilijkt.
  • Bij het kiezen van de fokdieren is het zeer belangrijk dat men met zekerheid weet of ze met een gave staart geboren werden. Men moet bijzonder op zijn hoede zijn als het uit het buitenland geïmporteerde honden met gecoupeerde staarten betreft
  • Niet gewenste kenmerken, lichaamsgebreken of gezondheidsproblemen, die gepaard gaan met het kenmerk ‘korte staart’ (onvolledige staart), zijn bij het Schipperke niet gekend en ook niet bij de meeste andere rassen.
  • Paringen tussen honden die beide volledig staartloos werden geboren moeten

vermeden worden.

  • Het dominante kenmerk ‘ringstaart of ‘opgekrulde staart’ is moeilijk uit te fokken wanneer het in het bestand aanwezig is.

      –    Wanneer men wil fokken met een hond met een onvolledige staart is het aan te bevelen

om een fokpartner te kiezen die met een volledige staart werd geboren.

  • Om tot geldige besluiten te kunnen komen en enigszins het resultaat te kunnen

voorspellen van een paring tussen twee ouderdieren, is het uiterst belangrijk om te

kunnen beschikken over correcte en betrouwbare informatie vanwege de fokkers van

de ouderdieren.

 

Definities van kynologische termen in verband met staarten:

anourie: staartloosheid (van bij de geboorte) (1).

brachyourie: het hebben van een korte staart; kortstaartigheid (van bij de geboorte) (1).

caudectomie: het (volledig of gedeeltelijk) staartcouperen.

gave staart: natuurlijke (volledige) staart (de anatomische basis bestaat normaal uit 18 tot 23 staartwervels).

natuurlijke staart: niet-gecoupeerde staart (2).

rudimentaire staart: stompstaart of onvolledige staart.

staartloos: zonder staart.

staartloosheid: ontbreken van staart.

stompstaart: een dikwijls aangeboren, zeer korte of rudimentaire staart.

Noten:

  1. vooral in het Frans betekenen ‘anourie’ en ‘brachyourie dat het een toestand betreft die

aanwezig is van bij de geboorte (respectievelijk. ‘absence de queue à la naissance’ en

‘présence d’une queue courte à la naissance’).

  1. in de meeste talen kan ‘natuurlijke staart’ niet alleen betekenen dat de staart niet werd

gecoupeerd, maar ook dat het een staart betreft met volledige lengte (full-length).

 

🇫🇷  Le Schipperke et l’interdiction de la coupe de la queue

Dr R. Pollet

Interdiction de la caudectomie : un tournant dans l’histoire du Schipperke ?

L’interdiction de la caudectomie, ou coupe de la queue, est entrée en vigueur en Belgique le 1er janvier 2006. À partir de cette date, il est devenu interdit de présenter en exposition des chiens ayant la queue coupée. Cette interdiction nous oblige donc à examiner de plus près le standard de la race Schipperke et à analyser les conceptions actuelles concernant la longueur et le port de la queue chez les chiens en général, et chez le Schipperke en particulier.

Depuis le 1er janvier 2006, nous savons désormais avec certitude comment les chiens naissent : soit totalement sans queue, soit avec un moignon, une queue rudimentaire, courte, mi-longue ou presque complète, soit avec une queue longue (queue naturelle, intacte ou complète).

Il est également important de savoir si l’absence congénitale de queue (anourie) ou une queue courte de naissance sont ou non associées à des défauts anatomiques, car dans ce cas, la reproduction de tels chiens devrait être déconseillée. Bien que de nombreuses connaissances existent déjà à ce sujet, nos connaissances génétiques et la compréhension précise des mécanismes héréditaires déterminant la longueur et le port de la queue ne sont pas encore totalement établies et confirmées.

Les queues courtes et longues que nous observons chez les Schipperkes depuis le 1er janvier 2006 sont des queues naturelles, c’est-à-dire non coupées, telles qu’elles étaient à la naissance. On peut également dire que chez les Schipperkes non écourtés, on observe désormais le phénotype (l’apparence extérieure) non modifié. Ce phénotype, c’est-à-dire l’ensemble des caractéristiques observables, est l’expression du génome ou génotype (l’ensemble des gènes). Les queues visibles aujourd’hui chez les Schipperkes peuvent être courtes ou longues, portées haut ou bas, ou totalement absentes. Tout cela résulte de l’action des facteurs héréditaires qui déterminent la longueur et le port de la queue, et non plus de mutilations pratiquées pour des raisons esthétiques, comme l’amputation ou le raccourcissement de la queue. Autrefois, à moins de réaliser un test génétique, il était en effet impossible de savoir si la queue d’un chien sans queue ou à queue courte avait été coupée après la naissance.

L’interdiction de la coupe des queues à partir du 01/01/2006 a profondément modifié la situation. Elle a également conduit de nombreux amateurs de Schipperkes à se détourner de la race ou, du moins, à envisager de perdre leur intérêt pour celle-ci.

Nous avons toujours été habitués à voir des Schipperkes avec une queue totalement amputée, ce qui leur conférait une apparence réellement unique par rapport aux autres races. Or, l’amputation de la queue constitue une mutilation et donc une atteinte à l’intégrité physique. Nous sommes convaincus que l’interdiction de la coupe de la queue représente un progrès en matière de bien-être animal et qu’elle sera également bénéfique pour la race. Bien entendu, les amateurs de Schipperkes devront s’habituer à la nouvelle apparence « avec queue » de leur race favorite. Nous avons même l’impression que cette adaptation, surtout chez les nouveaux amateurs, ne pose aucun problème. Peut-être ne lirons-nous bientôt plus les belles histoires et mythes sur l’origine de la coupe de la queue chez le Schipperke. Les anciennes instructions détaillées expliquant comment couper la queue peu après la naissance sont désormais devenues totalement inutiles.

Le standard de la race Schipperke

La description de la queue dans le dernier standard du Schipperke est détaillée et claire. Dans les standards précédents, cette description était extrêmement succincte : « Pas de queue ». Aucune justification de cette exigence n’avait jamais été mentionnée.

Dans le dernier standard, la queue est décrite comme suit :

QUEUE : attachée haut. Certains chiens naissent totalement sans queue ou avec une queue rudimentaire ou incomplète (queue courte ou moignon). Ils ne doivent pas être pénalisés pour cela. Une queue naturelle ou intacte (atteignant le jarret) est portée de préférence pendante au repos et peut être relevée en action, dans le prolongement de la ligne du dessus, mais de préférence pas plus haut. Une queue enroulée ou portée sur le dos est acceptée.

Interprétation :

La queue peut être naturellement absente, courte, incomplète ou longue, mais en aucun cas coupée. Une queue longue et intacte doit de préférence être portée pendante, mais peut également être portée haute ou enroulée, au contact ou au-dessus des reins.

Pourquoi les queues étaient-elles autrefois coupées chez les Schipperkes ?

Autrefois, les queues étaient écourtées chez certaines races pour des raisons esthétiques ou simplement parce que le standard l’exigeait. Chez certains chiens de chasse ou de combat, la coupe de la queue visait à éviter les blessures. Chez les races à poil long, elle pouvait également avoir des raisons hygiéniques, car les queues longues et fournies se salissent facilement avec les excréments. Chez d’autres races encore, la coupe de la queue (ou des oreilles) était totalement inutile, mais est néanmoins devenue une norme. Souvent, des récits pittoresques expliquent l’origine de ces pratiques, mais il est évident que ces histoires, mythes ou légendes ne sont guère crédibles.

Pour le Schipperke, comme pour d’autres races telles que le Dobermann ou le Rottweiler, une explication plausible existe. Ces races peuvent naître sans queue (anourie) ou avec une queue courte (brachyourie). Autrefois, il fut décidé d’imposer la coupe de la queue à tous les chiens de ces races afin d’uniformiser le type, y compris chez les chiens nés avec une queue courte mais jugée encore trop longue selon le standard.

Pourquoi l’interdiction de la coupe de la queue est-elle si peu bien accueillie ?

L’image que les amateurs se font de leur race repose sur la silhouette et les contours typiques du chien. Pour le Schipperke, cette image a toujours été celle d’un chien totalement sans queue. Il est donc compréhensible que de nombreux passionnés trouvent que les queues longues, souvent portées haut et parfois enroulées, nuisent à l’esthétique de la race.

Les queues dites « joyeuses » (terme euphémique pour des queues portées trop haut) sont surtout observées chez des races anatomiquement prédisposées : chiens à construction carrée, croupe horizontale ou peu inclinée, et tempérament vif. Il est souvent avancé qu’il est irréaliste d’espérer des queues pendantes chez de tels chiens. Pourtant, chez les bergers belges, qui présentent ces caractéristiques, la queue est bel et bien portée pendante. Beaucoup craignent cependant que sélectionner des queues pendantes s’accompagne de défauts moins souhaitables pour la race, notamment une croupe trop inclinée.

Origine génétique du caractère « queue courte »

La présence de queues naturellement courtes est le résultat d’une mutation génétique. Il ne faut en aucun cas penser que les Schipperkes naissent sans queue ou à queue courte parce que des générations entières ont eu la queue coupée : les caractères acquis ne sont pas héréditaires.

Défauts anatomiques

Selon certaines publications, l’anourie ou la brachyourie congénitale pourrait être associée à des défauts anatomiques. Ce phénomène a notamment été étudié chez l’Entlebucher, et il est fortement déconseillé d’accoupler deux chiens tous deux nés sans queue ou à queue courte. Chez le Schipperke, aucun défaut lié à l’absence ou à la brièveté congénitale de la queue n’a été observé. Il est néanmoins recommandé, lorsqu’on fait reproduire un Schipperke né sans queue ou à queue courte, de le croiser avec un partenaire né avec une queue complète.

Mode de transmission génétique

On suppose généralement une transmission dominante du caractère « queue courte ou absente » (facteur dominant T) et une transmission récessive du caractère « queue longue » (facteur t). Les chiens homozygotes TT ne seraient pas viables. Les chiens hétérozygotes Tt présentent une longueur de queue variable.

Les combinaisons génétiques possibles sont :

  • TT = queue courte (homozygote)
  • Tt = longueur variable (hétérozygote)
  • tt = queue longue (homozygote)

(les pourcentages de descendants attendus selon les croisements sont conservés tels que dans le texte original).

Port de la queue

Depuis l’interdiction de la coupe de la queue, on observe fréquemment chez le Schipperke des queues enroulées sur le dos. Des croisements entre chiens à queue pendante et chiens à queue enroulée montrent que le caractère « queue enroulée » est dominant par rapport au caractère « queue pendante ».

Conclusion

L’interdiction de la caudectomie permet désormais d’identifier clairement les facteurs héréditaires « queue incomplète » et « queue enroulée », deux caractères dominants visibles phénotypiquement. Les caractères dominants masquent les caractères récessifs, lesquels peuvent être totalement ou partiellement exprimés selon le type de dominance.

Ce que les éleveurs doivent savoir – Recommandations

Les éleveurs devraient tenir compte des connaissances suivantes, scientifiquement plus ou moins consolidées (confirmées) et assez largement admises dans le domaine de la génétique et de l’élevage :

  • De deux parents à queue longue, ne naissent que des chiots à queue longue, car ils ne possèdent que le gène récessif « queue longue » et sont donc génétiquement purs (homozygotes) pour ce caractère (tt × tt → 100 % tt).
  • Des chiots à queue incomplète peuvent apparaître dans une portée si l’un des parents est né sans queue ou à queue courte (tt × Tt → 50 % tt + 50 % Tt).
  • Le caractère « queue courte » se transmet de manière dominante. Il est donc difficile d’éliminer ce caractère de l’élevage, car les chiens à queue courte portent généralement aussi le caractère « queue longue » (Tt). Les « vrais » chiens à queue courte ou totalement sans queue (TT) ne sont pas viables.
  • Des queues longues (tt) peuvent également être transmises par deux parents à queue courte (père et mère). En effet, ces parents sont généralement hétérozygotes et possèdent donc aussi le gène de la queue longue (Tt × Tt → 25 % TT + 50 % Tt + 25 % tt).
  • Le caractère « absence de queue ou queue courte » ne se transmettrait pas de manière totalement dominante. Ce facteur (T), à dominance incomplète par rapport au facteur récessif (t), est responsable de longueurs de queue très variables chez les chiens Tt, ce qui complique évidemment les explications génétiques.
  • Lors du choix des reproducteurs, il est très important de savoir avec certitude s’ils sont nés avec une queue intacte. Une vigilance particulière s’impose pour les chiens importés de l’étranger et dont la queue a été coupée.
  • Des caractères indésirables, des malformations corporelles ou des problèmes de santé associés au caractère « queue courte » (queue incomplète) ne sont pas connus chez le Schipperke, ni chez la plupart des autres races.
  • Les accouplements entre chiens tous deux nés totalement sans queue doivent être évités.
  • Le caractère dominant « queue en anneau » ou « queue enroulée » est difficile à éliminer de l’élevage lorsqu’il est présent dans la population.
  • Lorsqu’on souhaite faire reproduire un chien à queue incomplète, il est recommandé de choisir comme partenaire un chien né avec une queue complète.
  • Afin de pouvoir tirer des conclusions valables et de prévoir dans une certaine mesure le résultat d’un accouplement entre deux reproducteurs, il est essentiel de disposer d’informations correctes et fiables provenant des éleveurs des chiens parents.

Définitions des termes cynologiques liés à la queue

  • Anourie : absence congénitale de queue
  • Brachyourie : queue courte congénitale
  • Caudectomie : coupe partielle ou totale de la queue
  • Queue intacte : queue naturelle et complète (18 à 23 vertèbres)
  • Queue naturelle : queue non coupée
  • Queue rudimentaire : moignon ou queue incomplète
  • Sans queue : dépourvu de queue